Jos de Mul. Fotografie als metafysica. In: O. van Alphen en H. Visser (red.), Een woord voor het beeld. Opstellen over fotografie, Amsterdam: SUA, 1989, 68-104.

Jos de Mul. Waarom esthetische opvoeding, waarom literatuuronderwijs? in: W.A.M. de Moor (ed.), Stiefkind en Bottleneck. De Toetsing in het literatuuronderwijs, Nijmegen (Uitgave Vakgroep Algemene Kunstwetenschappen) 1990, 47-56.

Wanneer men het thema toetsing ter sprake brengt, stuit men vroeg of laat op de vraag naar het waarom van het literatuuronderwijs. Als we deze waaromvraag stellen, vragen we om een rechtvaardiging van het literatuuronderwijs. We vragen in zo'n geval naar de redenen die ons ingeven om tijd en aandacht en dat betekent in onderwijspolitieke termen dus ook steeds geld, te besteden aan het literatuuronderwijs.

Met betrekking tot het literatuuronderwijs laten zich globaal twee typen rechtvaardiging on­derscheiden, die ik zou willen aanduiden als instrumentele en intrinsieke vormen van recht­vaardiging.

In het geval van een instrumentele rechtvaardiging wordt het literatuuronderwijs niet opge­vat als een doel op zich, maar als een instrument voor een verdergelegen doel. Bijvoor­beeld ten behoeve van de bevordering van de leesvaardigheid of, in geval het gaat om lite­ratuuronderwijs in een vreemde taal, ten behoeve van de bevordering van de beheersing van deze taal.

Indien we daarentegen spreken over een intrinsieke rechtvaardiging van het literatuuron­derwijs, hebben we het over de rechtvaardiging van het literatuuronderwijs als doel op zich. In dat geval zal de aandacht in de rechtvaardiging zich vooral richten op de esthetische dimensie van het literatuuronderwijs. De vraag naar de rechtvaardiging van het literatuuronderwijs wordt dan opgevat als een deel van de vraag naar de rechtvaardiging van de esthetische opvoeding.

In mijn bijdrage wil ik speciaal op deze laatste vorm van rechtvaardiging van het litera­tuuronderwijs ingaan: op de rechtvaardiging van het literatuuronderwijs als onderdeel van de esthetische opvoeding. Daarmee begeef ik mij, om ten minste twee redenen op glad ijs. In de eerste plaats vooronderstelt een rechtvaardiging van de esthetische opvoeding een heldere opvatting van wat esthetische opvoeding eigenlijk is. Als we ons echter naar de pe­dagogische literatuur wenden om ons hieromtrent nader te oriënteren, is deze helderheid ver te zoeken. Betty Redfem, een vooraanstaande auteur op het gebied van de esthetische op­voeding, vatte de stand van zaken in haar onlangs gepubliceerde inleiding in de esthetische opvoeding als volgt samen: 'Het is wellicht niet overdreven te stellen dat er noch in de op­voedkundige praktijk, noch in de opvoedkundige theorie meer verwarring bestaat dan over esthetische opvoeding. Een groot deel van wat hierover in de literatuur is te vinden, en dat geldt <K)k en niet in de laatste plaats voor officiële rapporten en onderzoeken, is vititj’, van misverstanden en ongerechtvaardigde vooronderstellingen doortrokken, en soms /.onder meer nonsens' (Redfern 1986, 1).

Zelfs indien we met betrekking tot de pedagogische literatuur over de esthetische opvoeding kans zien het kaf van het koren te scheiden, dan blijft de situatie bijzonder verwarrend. Wat na een moeizame schifting overblijft zijn een aantal, op zichzelf coherente en plausibele, maar onderling op veel punten tegenstrijdige theorieën.

Als we deze verschillende theorieeën over esthetische opvoeding nader beschouwen, blij­ken deze verschillen uiteindelijk voort te vloeien uit onderling zeer verschillende opvattin­gen van kunst en literatuur. En daarmee ben ik aanbeland bij de tweede reden voor mijn opmerking dat de esthetische rechtvaardigingsproblematiek mij dwingt glad ijs te betreden. Indien er namelijk geen overeenstemming bestaat over de tot het terrein van de kunstfiloso­fie behorende vraag wat literatuur nu eigenlijk is, dan ontberen we tevens een gemeen­schappelijke grondslag voor de rechtvaardiging van het literatuuronderwijs. In feite bestaan er evenzoveel grondslagen voor de rechtvaardiging van het literatuuronderwijs als er opvat­tingen over literatuur bestaan.

Ik zal deze these trachten te concretiseren door in te gaan op de vier meest verspreide opvattingen van wat literatuur is. Daarna zal ik betogen dat ieder van deze vier verschillende opvattingen bepaalde consequenties met zich meebrengt voor het literatuuronderwijs, als ook voor de rechtvaardiging ervan. Tenslotte zal ik, vanuit een ontwikkelingsfilosofisch perspectief, nader ingaan op de vraag hoe deze verschillende opvattingen zich tot elkaar verhouden en welke consequenties daaruit getrokken moeten worden voor de praktijk van het literatuuronderwijs en voor de rechtvaardiging van deze praktijk.

Jos de Mul. Is there a future for anthropocentrism?. In: J. van Nispen en D. Tiemersma (ed.), The Quest for Man. The topicality of philosophical anthropology, Assen (Van Gorcum) 1991, 187-191.

Jos de Mul. Sporen. Over het werk van Henck van Dijck. In: Henck van Dijck. Catalogus Gemeentemuseum Arnhem, Arnhem 1991, 7-16.

Jos de Mul. Implicaties van Parsons' theorie van de esthetische ontwikkeling voor de kunstzinnige vorming. In: P. van Engelen, A. Kramer en P. Quelle (red.), Op vleugels en krukken. Over de kwaliteit van de kunstzinnige vorming in het basisonderwijs, Enschede/Utrecht (Instituut voor Leerplanontwikkeling/Landelijk Ondersteuningsinstituut Kunstzinnige Vorming) 1991, 37-56.

Nieuws

Deze website wordt momenteel vernieuwd

Boeken van Jos de Mul

In voorbereiding

Doorzoek deze website

Contactinformatie