Jos de Mul. 'Survival of the fittest metaphor'. In: Denis Noble, De muziek van het leven. Biologie voorbij de genen. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2016, 193-221

Wat is leven? Decennia wetenschappelijk onderzoek heeft het menselijk genoom in kaart gebracht. Vanuit het perspectief van genen, zoals voorgesteld in Richard Dawkins’ bekende bestseller The Selfish Gene, zijn levende wezens slechts tijdelijke voertuigen voor de genetische codes. Maar in De muziek van het leven laat de wereldvermaarde fysioloog Denis Noble zien dat we voor een goed begrip van het leven voorbij de genen moeten gaan. Het genoom behelst maar één aspect van het menselijk leven. Om het leven echt te kunnen begrijpen moeten we op verschillende niveaus tegelijk kijken.

Het leven is volgens Noble met een symfonie te vergelijken, waarin de bladmuziek (genen), de instrumenten (cellen), de secties in het orkest (organen) en de componist (de evolutie) allemaal even onontbeerlijk zijn. De auteur weeft deze muziekmetafoor door zijn verhaal en verduidelijkt zo ideeën die anders voor niet-wetenschappers lastig te begrijpen zijn. In een elegante, persoonlijke stijl ontwikkelt Noble een overtuigend alternatief voor Dawkins’ genetisch reductionisme en beschrijft hij hoe leven voortkomt uit de even complexe als fascinerende interacties tussen verschillende niveaus binnen het organisme, en tussen organisme en omgeving.

De muziek van het leven wordt in- en uitgeleid door filosoof Jos de Mul. Hij geeft een begrijpelijk en helder overzicht van de moderne evolutieleer en genetica, plaatst Nobles belangwekkende boek in de context van actuele debatten over de beperkingen van het neodarwinisme, en bespreekt de implicaties daarvan voor ons mensbeeld.

Denis Noble (1936) is emeritus hoogleraar van de University of Oxford en bioloog en fysioloog, en een van de bedenkers van de systeembiologie.

‘verrassend eenvoudig te lezen…. Het kan iedereen worden aanbevolen die is geïnteresseerd in het fundament van het leven.’
– Science Magazine

‘zeer aansprekend’
– The Guardian

Jos de Mul. Possible printings. On 3D printing, database ontology and open (meta)design. In: B. van den Berg, S. van der Hof & E. Kosta (eds.) 3D Printing: Legal, Philosophical and Economic Dimensions - Information Technology and Law Series. The Hague: T.M.C. Asser Press, 2016, 87-98.

3D printing can be approached from a number of different disciplinary angels, as it has possible implications for a great variety of human practices, ranging from the organization of economic production to the domain of legal and regulatory issues. In my talk I will focus on 3D printing from yet another angle: design, more particularly the perspective of open design. In Fabricated: The New World of 3D Printing, Lipson and Kurman claim no less than that 3D will  cause “a revolution in the way we make and design things, because of the close connection between the software design of an object […] and its physical manifestation”.[2] Although we should be somewhat skeptical when the word “revolution” in the often hyperbolic discourse on information and communication technologies, it is obvious that 3D printing has the potential to bring about important changes in many domains, including the  world of design. Especially because of its open character, 3D printing challenges traditional design practices. In this chapter, I will investigate some of the implications of the database ontology, which characterizes the open design of 3D printing.

In the announcement of the 2010 Amsterdam conference Redesigning Design, which was organized by Creative Commons Netherlands, Premsela, Dutch Platform for Design and Fashion, and Waag Society, and which resulted in the book Open Design Now. Why design cannot remain exclusive[3]  the present situation in the world of design was described as follows:  “The design industry is going through fundamental changes. Open design, downloadable design and distributed design democratize the design industry, and imply that anyone can be a designer or a producer”. The subtext of this message seems to be that open design - for reasons of brevity I will use this term as an umbrella for the aforementioned developments, thus including downloadable, distributed design and the possibility to  recombine modules to personalized designs and to 3D print them at home or in a specialized shop around the corner– is something intrinsically good, something we should promote. Though my general attitude towards open design is a positive one, I think we should keep an open eye for the obstacles and pitfalls, in order to avoid that we will throw out the designer baby along with the bath water.

This chapter consists of three sections. First I will present a short sketch of open design. As this concept has quite some different connotations and, for that reason, is prone to conceptual confusion, it might be useful to illuminate this tag cloud of connotations. In this first part, I will also summarize some of the objections that can be (and has been) directed against open design.

Jos de Mul. Gemedieerd vertrouwen  in de overheid Een wijsgerig-antropologisch perspectief op veiligheid en vertrouwen. In: Bas Haring, Jos de Mul, Liesbeth van Zoonen, Valerie Frissen, Michiel de Lange, Chris Sigaloff & & Wieteke Vrouwe. Essay Estafette, reflecties op de toekomst van de digitale overheid. Den Haag: Ministerie van BZK, 2016, 19-36.

In zijn Visiebrief digitale overheid van 23 mei 2013 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangegeven dat de burger in 2017 al zijn zaken met de overheid via internet moet kunnen regelen. Uit het in december 2013 gepubliceerde onderzoeksrapport De burger gaat digitaal stelt de Nationale ombudsman dat een meerderheid van de burgers in ons land dat streven ondersteunt. Dat is niet zo gek, aangezien zij in hun rol als consument reeds massaal zijn overgestapt op online winkelen, het via het internet regelen van bankzaken, het doen van boekingen van vakantiereizen etc. Digitale dienstverlening door de overheid is om dezelfde redenen aantrekkelijk: zij is 24 uur per dag beschikbaar, belooft een forse tijdsbesparing op te leveren en de zaken kunnen bovendien comfortabel vanuit de huiskamer worden geregeld.

De enquête, die de Nationale ombudsman in samenwerking met het consumentenprogramma TROS Radar uitzette, en waarop door ruim 48.000 burgers werd gereageerd, leert evenwel dat de burger in weerwil van deze positieve grondhouding opvallend weinig vertrouwen heeft in de deugdelijkheid van de digitale dienstverlening van de overheid. Bijna de helft heeft geen fiducie in de veiligheid van de ICT-systemen van de overheid, ruim een derde heeft geen vertrouwen in de manier waarop de overheid met de gegevens omgaat, en bijna een vijfde van de respondenten geeft aan wel eens met verkeerde gegevens in overheidssystemen te hebben gestaan. Op een schaal van tien scoort geen enkele overheidsinstantie op het vlak van de digitale dienstverlening hoger dan een mager zeventje (de RWD doet het nog het best met een 6,9), terwijl bijna een kwart een onvoldoende krijgt (waarbij de UWV met een 4,8 het slechtste rapportcijfer krijgt). Deze lage waardering brengt de Nationale ombudsman ertoe de overheid op te roepen gerichte actie te ondernemen om het vertrouwen in de digitale overheid te versterken.[1]

Dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. Met dit essay beoog ik een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een meer betrouwbare digitale overheid door de op het eerste gezicht paradoxale tegenstelling tussen enerzijds de bereidheid van de burger ‘digitaal te gaan’ en anderzijds diens gebrek aan vertrouwen in de digitale dienstverlening van de overheid aan een nadere analyse te onderwerpen. Ik zal betogen dat deze paradox samenhangt met het sterk gemedieerde karakter dat het vertrouwen in de informatiesamenleving heeft gekregen. Waar in de traditionele gemeenschap vertrouwen vooraleerst een interpersoonlijk karakter bezat, en in de moderne staat de gestalte aannam van een meer afstandelijk systeemvertrouwen, daar wordt het vertrouwen in de informatiesamenleving in toenemende mate gemedieerd door voor de burger onzichtbaar functionerende informatietechnologieën, waarvan de effecten het vertrouwen in de digitale overheid van binnenuit dreigen uit te hollen.

Teneinde deze stelling te onderbouwen, zal ik in het eerste deel van het essay stilstaan bij de betekenis van de begrippen ‘veiligheid’ en ‘vertrouwen’ en een aantal aanverwante noties. In het tweede deel zal ik een aantal kenmerken van de informatiesamenleving beschrijven die betrekking hebben op het vertrouwen, om vervolgens in het derde deel in te gaan op de uitdagingen én kansen die het gemedieerde vertrouwen met zich meebrengt voor een overheid die het vertrouwen van de burger in haar digitale dienstverlening wil versterken of terugwinnen.

Jos de Mul. L’identité de base de données. Identité personnelle et culturelle à l’ère de la mise en données du monde. In Severo Marta & Romele Alberto (eds.) Traces numériques et territoires. Paris: Presses des Mines/ParisTech, 2015, 87-108.

Introduction [1]

Le 27 février 2004, j’ai pris part au débat plutôt passionné qui agitait les Pays-Bas sur le multiculturalisme en publiant un essai dans le NRC Handelsblad, un des grands quotidiens néerlandais [2]. Cet article commençait par la brève description d’une jeune Arabe qui, quelques mois auparavant, passait près de moi glissant sur des rollers dans la station de métro Kralingse Zoom à Rotterdam. Elle semblait être étudiante et se rendre, tout comme moi, à l’Université Érasme. Vêtue d’un sarouel bouffant et d’un t-shirt arborant un smiley, et portant un petit sac à dos, sa tête était couverte d’un foulard d’où dépassait le cordon de l’oreillette de son téléphone portable. Lorsqu’elle fut assez proche de moi, je pus capter quelques bribes de la conversation qu’elle menait, dans cet étrange mélange d’arabe et de néerlandais mâtiné d’un fort accent de Rotterdam, avec une amie, pour autant que je puisse le deviner au ton de la discussion. Pareille image d’une jeune musulmane patinant sur des rollers était assez inattendue en 2004. Pourtant, à en croire un des articles parus récemment sur le site Web de la communauté turque aux Pays-Bas, la pratique du roller connaît un succès grandissant chez les jeunes filles musulmanes néerlandaises [3]. De plus, cette pratique tendrait à gagner en popularité dans des cercles musulmans plus orthodoxes. En avril 2012, les amateurs de patinage artistique en Italie ont eu la faveur de voir Zahra Lari être la première patineuse venue du Golfe à évoluer en niqab.

La raison pour laquelle je commençais mon essai de 2004 par cette image pittoresque d’une jeune musulmane en rollers tenait à ce qu’elle était la proclamation vivante d’une identité personnelle et culturelle dans une société postmoderne. Elle se situait manifestement au-delà de l’opposition qui avait paralysé le débat néerlandais sur le multiculturalisme pendant de nombreuses années, à savoir : l’opposition entre le fait de conserver sa propre identité et celui de s’adapter à la culture néerlandaise. Dans le présent chapitre, je souhaite examiner plus avant l’identité postmoderne à l’aune de deux perspectives tendant à s’entremêler de plus en plus fortement : la globalisation et la mise en données (datafication). Je vais défendre la thèse que notre jeune musulmane de Rotterdam à rollers avec son téléphone portable incarne à la perfection ce type d’identité qui est élaborée par cette mise en données globale, caractéristique de la société postmoderne.

Ce chapitre se décompose en quatre parties. Premièrement, je vais traiter les notions d’identité personnelle et d’identité culturelle, en mettant en relief le rôle crucial des récits narratifs et des traditions. Avec ce contexte en vue, je procéderai à une critique de l’opposition stérile entre multiculturalisme et monoculturalisme, pour défendre au lieu de cela une position interculturaliste. Puis, je distinguerai entre les différents modes par lesquels les traditions sont constitutives respectivement des identités prémodernes, modernes et postmodernes. Dans la dernière partie, je porterai mon attention sur le rôle que joue la mise en données dans la construction d’une identité postmoderne. Je défendrai la thèse que les bases de données, telles que nous les trouvons installées dans les médias sociaux grand public comme Facebook, transforment de plus en plus l’identité narrative des personnes et cultures des âges prémodernes et modernes en ce que l’on pourrait appeler une identité de base de données (database identity). Dans les identités de bases de données, nous trouvons d’un côté certains aspects d’identités narratives radicalisées et, à l’inverse, d’autres aspects qui semblent être transformés en une forme culturelle purement et simplement différente. En lien avec le débat récent sur les big data, et en prenant Facebook comme exemple central, mes réflexions porteront sur certains des avantages et inconvénients de la mise en données et de la corrélationalisation de notre identité.

Jos de Mul, Database Identity: Personal and Cultural Identity in the Age of Global Datafication. in: Wouter de Been, Payal Aurora and Mireille Hildebrandt (Eds.), Crossroads in New Media, Identity and Law. The Shape of Diversity to Come. Personal and Cultural Identity in the Age of Global Datafication. Basingstoke/New York: Palgrave Macmillan, 2015, 97-118. 

This volume brings together a number of timely contributions at the nexus of new media, politics and law. The central intuition that ties these essays together is that information and communication technology, cultural identity, and legal and political institutions are spheres that co-evolve and interpenetrate in myriad ways. Discussing these shifting relationships, the contributions all probe the question of what shape diversity will take as a result of the changes in the way we communicate and spread information: that is, are we heading to the disintegration and fragmentation of national and cultural identity, or is society moving towards more consolidation, standardization and centralization at a transnational level? In an age of digitization and globalization, this book addresses the question of whether this calls for a new civility fit for the 21st century.

Jos de Mul, to begin with, takes the issue of identity head-on in his contribution. He argues that new networked communication technologies are leading to a datafication of identity. New ICTs are transforming traditional ‘narrative identity’ into a more plastic form of ‘database identity.’ Identity as the product of a linear development, as an outgrowth of a particular personal or group history – the bread and butter of the imagined community – is on the wane. Increasingly identity is broken up into machine-readable elements and stored in digital memory banks. This allows for an endless combination and re-combination of features. By itself this process does not necessarily result in a world of freedom and play, however. Although database identities allow for an extraordinary range of choice and are well suited to the freedom and flexibility of postmodern culture, there is a great deal of uniformity in the forms that database identities actually take. Hence, De Mul also addresses the standardization of identity in the prefabricated formats of social media, underlining the new entrapments of the digital age.

 

Jos de Mul. Philosophical Anthropology 2.0. In: Jos de Mul. (ed.), Plessner's Philosophical Anthropology. Perspectives and Prospects. Amsterdam/Chicago: Amsterdam University Press/Chicago University Press, 2014, 457-475.


Introduction

The aim of this chapter is to demonstrate the relevance of Helmuth Plessner’s philosophical anthropology in the twenty-first century. In the first part of this chapter, I will argue that the heydays of philosophical anthropology in the first half of the twentieth is closely connected with the (Darwinian) naturalization of the worldview. Whereas the debate on naturalization resulted in an unfruitful opposition between ‘greedy reductionism’ and a no less ‘greedy transcendentism,’ Plessner’s philosophical anthropology, presented in his magnum opus Die Stufen des Organischen undderMensch (1928), offered a promising ‘third way.’

In the second part of this chapter, I will discuss some of the objections that have been raised in the course of the twentieth century against the alleged essentialism and anthropocentrism of the project of philosophical anthropology, and which, at least according to the critics, suggest that philosophical anthropology has to face the same fate as its subject ‘man,’ which - to use the often quoted metaphor of Foucault - is about to be “erased like a face drawn in the sand at the edge of the sea” (Foucault 1970, 387). I will argue that, although Plessner is far from being a hardboiled essentialist or a defender of anthropocentrism, the critiques invite a revision of at least some elements of Plessner’s philosophical anthropology in order to make room for a necessary reflection upon the challenges we face at the beginning of the twenty-first century.

In the third and last part of my chapter, I will argue that such a revi­sion is especially needed in light of neo-Darwinism and the converging technologies that are intertwined with it. These technologies promise - or threaten, depending on one’s perspective - to give Foucault’s ‘End of Man’ a material turn. While classical Darwinism challenged the human place in cosmos mainly in theoretical terms, converging technologies like genetic modification, neuro-enhancement and electronic implants, have the po­tential to ‘overcome’ Homo sapiens sapiens as we know it in a more radical, practical sense.[1] This creates within us a certain urge towards fundamental post-essentialist and post-anthropocentric human self-reflection. The claim I will underpin is that Plessner’s anthropology still offers a fruitful starting point for the development of this ‘philosophical anthropology 2.0.’ I will demonstrate this by a critical re-interpretation of Plessner’s three ‘anthro­pological laws’ in light of the aforementioned converging technologies.

Jos de Mul. The syntax, pragmatics and semantics of life. Reading Dilthey in the light of contemporary biosemiotics, in: Christian Damböck, Hans Ulrich Lessing (Hrsg.): Dilthey als Wissenschaftsphilosoph. Freiburg: Verlag Karl Alber, 2016, 156-175.


Seitdem ich aber in der Struktur des Lebens die Grundlage der Psychologie erkannte, mußte ich den psychologischen Standpunkt zu dem biologischen erweitern und vertiefen.  
  Wilhelm Dilthey (1995/9)

Introduction[1] 

Does Dilthey’s hermeneutics of life (Lebensphilosophie) have any relevance for contemporary discussions in the philosophy of biology?  In this contribution, I will argue that it does. In order to substantiate this claim, I will relate Dilthey’s hermeneutic philosophy of life to contemporary developments in biosemiotics.  In this context, I will focus in particular on the specific space the life sciences (Lebenswissenschaften) occupy in-between the natural sciences (Naturwissenschaften) and the human sciences (Geisteswissenschaften).

Unlike most other contributions to this volume, I will approach my subject from a systematic rather than a historical perspective. In connecting Dilthey’s philosophy to contemporary developments in the life sciences and biosemiotics my approach resembles the one Christian Damböck takes in his recent analysis of Dilthey’s empirical philosophy in relation to recent methodological and ontological disputes in analytical philosophy on the role of philosophy vis-à-vis the natural sciences.[2] The debates in the contemporary life sciences and biosemiotics which I will address are connected with methodological and ontological issues and the relationship between philosophy and the natural sciences too.

Mainstream  Neo-Darwinian biology is characterized by a “greedy reductionism[3] and a mechanistic naturalism, but in the past few decades Neo-Darwinist orthodoxy has been criticized increasingly from various sides.[4] Partly, this critique was formulated within the prevailing reductionist and mechanistic paradigm. In those cases, it primarily aims at a broadening of this paradigm. We may think, for example, of the debates on top-down causation in systems biology.[5] However, oftentimes the critique is more radical, aiming at nothing less than a paradigm shift in the life sciences, which would lead these sciences beyond orthodox Neo-Darwinism. Examples of this critique can be found, for example, in (the recent re-emergence of) emergentism in the so-called sciences of complexity, such as chaos theory, network theory, nonlinear systems, self-organizing and –constructing systems theory[6] and also in the fast expanding field of epigenetics, which studies non-genetic systems and processes of inheritance, which has given rise to a remarkable rehabilitation of Lamarck in the life sciences.[7] Finally, orthodox Neo-Darwinism has been criticized by biosemiotics, which analyzes the role codes, signals, signs and their interpretation play in living matter.[8] Although these approaches point to various differences, they all share the fundamental claim that the mechanistic principles that govern the micro-level are inadequate in their ability to take account of the behavior and activity of living matter.

Although these different critiques are connected in several ways, in the following I will focus in particular on biosemiotics, because this field presents striking similarities with Dilthey’s empirical philosophy. Let me begin with a short overview of my paper. In the first part I will elucidate the similarities between recent biosemiotics and Dilthey’s philosophy of life, as expressed in the Berliner Entwurf for the second Volume of the Critique of Historical Reason (1893), especially in the fragment entitled Leben und Erkennen. Within this context I will also discuss some recent contributions to Dilthey Studies. Besides  the aforementioned article of Christian Damböck’s on the empirical character of Dilthey’s philosophy, I will refer to Matthias Jung’s  interpretation of Dilthey’s philosophy of life in his article ‘“Das Leben artikuliert sich”. Diltheys performativer Begriff der Bedeutung Artikulation als Fokus hermeneutischen Denkens‘[9] and his book Der bewusste Ausdruck. Anthropologie der Artikulation.[10] I will defend the thesis that both Dilthey and biosemiotics defend an emergent evolutionary theory proclaiming that life develops itself through a series of qualitatively different stages characterized by increasingly complex forms of semiosis.

In the second and final part I will analyze these stages in more detail, with the help of the semiotic distinction between syntax, pragmatics and semantics. Furthermore, I will elucidate Dilthey’s developmental model of life by referring to Marcello Barbieri, one of the leading biosemioticians. The resulting layered biohermeneutics functions as a “ladder of understanding”, which helps us to better fathom the subsequent stages in the process in which life understands life, “Leben erfaßt hier Leben”.[11]

Jos de Mul. The Game of Life: Narrative and Ludic Identity Formation in Computer Games.  In: Lori Way (ed.), Representations of Internarrative Identity. New York: Palgrave Macmillan, 2015.

Representations of Internarrative Identity is based upon Ajit Maan's breakthrough theory of Internarrative Identity, which deals with one's sense of self as expressed in personal narrative, connecting the formation of identity with life experiences. This book is the first extensive examination of the adaptive qualities of Maan's work within diverse areas of scholarship and practice, including cultural studies, gender studies, computer gaming, and veterinary medicine. United by their research application of Maan's theory, these scholars demonstrate the far-reaching implications of Internarrative Identity.



Jos de Mul, ‘Aan deze zijde van de utopie’. De wijsgerige antropologie van Helmuth Plessner, Inleiding in: Carola Dietze, Helmuth Plessner, leven en werk. Rotterdam: Lemniscaat, 2014.

De Duitse filosoof en socioloog Helmuth Plessner (1892-1985) is een van de boeiendste intellectuelen uit de twintigste eeuw. Hij leverde een essentiële bijdrage aan de wijsgerige antropologie en de sociologie. Tijdens de Weimarrepubliek keerde Plessner zich tegen de radicale ideologieën van links en rechts. Nadat hij in 1933 als ‘half-jood’ van de universiteit van Keulen werd verwijderd, emigreerde hij naar Nederland en doceerde er aan de universiteit van Groningen, totdat hij in 1943 door de Duitse bezettingsmacht opnieuw werd ontslagen.De laatste oorlogsjaren moest hij onderduiken.

Na de oorlog kreeg Plessner eerst zijn Groningse leerstoel terug en daarna, in 1951, werd hij benoemd als hoogleraar in het Duitse Göttingen.Hij werd vooral bekend door zijn in ballingschap geschreven boek Die verspätete Nation, een historische analyse van de vraag waarom Duitsland vatbaar was voor het nationaal-socialisme. Zijn gedachtegang zou na de oorlog veel invloed krijgen. In de context van het groeiende populisme en het debat over de toekomst van de Europese Unie hebben Plessners analyses nog niets aan betekenis verloren.

Voor de Nederlandse vertaling van het Carola Dietze's lezenswaardige biografie, die tevens een boeiend beeld geeft van het academische leven in Duitsland en Nederland rondom de Tweede Wereldoorlog, schreef ik onderstaande inleiding op Plessners filosofie.

Jos de Mul, Dichter na de dood van God. In: Wiel Kusters (red.) ‘In een bezield verband’. Nederlandse dichters op zoek naar zin. Baarn: Gooi en Sticht, 1991, 264-286.[1]

     ik zeg dus niet meer dan dan
wat ik zeg, dat
wat ik niet zeg inbegrepen

Gerrit Kouwenaar

In de poëzie van Gerrit Kou­we­naar laten zich twee thema’s onderscheiden die, ofschoon ze op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken lijken te hebben, bij nadere beschouwing ten nauwste zijn verbonden. Het eerste, vaak genoemde thema betreft het auto­no­me karak­ter van Kou­we­naars poëzie: veel van zijn ge­dichten handelen over de taal en over het dich­ten zelf. Het tweede the­ma in Kou­we­naars poëzie is minder opval­lend, maar speelt daarin m.i. toch een bijzon­der funda­mentele rol. Het is - in Nietz­sches woorden - het besef van ‘de dood van God’.

Jos de Mul, It takes three to tango. Over de tragische dimensie van Europa, in: Ronald Tinnevelt (red.), Europa. Op zoek naar een nieuw elan. Nijmegen: Valkhof Pers, 2014, 177-192.

 

“Het veroverde Griekenland veroverde haar onbeschaafde veroveraar en bracht de kunsten in het landelijke Latium.”

Horatio
 

Waar is Europa? Wanneer is Europa? Wat is Europa?

Wie vraagt naar de Europese cultuur wordt al snel geconfronteerd met enkele basale, maar lastig te beantwoorden vragen. Dat wordt al duidelijk als we de simpele vraag stellen waar Europa nu precies ligt. Dat hangt samen met het onderscheid tussen staat en natie. Spreken we over de EU, een bundeling van onafhankelijke en soevereine lidstaten, dan is er een precies, zij het nogal veranderlijk antwoord te geven. Bestond de EEG bij oprichting in 1958 uit 6 lidstaten, dat aantal is steeds verder gegroeid en sinds de toetreding van Roemenië en Bulgarije in 2007 bestaat wat nu de EU heet uit niet minder dan 27 lidstaten. En het is onwaarschijnlijk dat het daar bij zal blijven.

Het gaat me hier echter niet om de grenzen van de EU, maar naar die van de Europese cultuur. Die vragen hangen natuurlijk wel samen. In de discussie over de mogelijke toetreding van Turkije tot de EU gaat het immers ook, en niet in de laatste plaats, om de vraag of Turkije wel of niet tot de Europese cultuur behoort. Op die vraag is gezien het heterogene, open en daardoor veranderlijke karakter van de Europese cultuur geen enkelvoudig antwoord mogelijk. In de discussies over het Turkse lidmaatschap wordt vaak de nadruk gelegd op de verschillende religieuze tradities. Dat is inderdaad een belangrijk verschil. Maar daarbij mag niet vergeten worden dat het christendom en de islam allebei wortels in het jodendom bezitten, en dat de geschiedenis van Turkije nauw verbonden is met die van de huidige lidstaten van de EU. Als het om Europa gaat wordt – de Grieken voorop – graag verwezen naar de Griekse Oudheid als de bakermat van de Europese cultuur. Daarbij wordt vaak vergeten dat die Griekse cultuur voor een belangrijk deel tot ontwikkeling kwam aan de Ionische kunst van wat nu Turkije heet. Thales woonde in Milete en Herakleitos zag alles stromen (panta rhei) in Efese. En ook door het Rijk van Alexander de Grote, het Byzantijnse en het Otto- maanse Rijk (dat zich op haar hoogtepunt tot aan Wenen uitstrekte), is Turkije deel van de Europese geschiedenis.

De vraag wanneer Europa is, is al even lastig te beantwoorden. Is Europa een herinnering? Een realiteit uit het verleden, uit de tijd dat er nog Europese Rijken bestonden, zoals het Romeinse Rijk en de keizerrijken van Karel de Grote en Napoleon? Of ligt Europa juist in de toekomst, in het moment dat de economische, juridische, poli- tieke en culturele integratie van de EU is voltooid? Of is Europa misschien veeleer een utopie, een mythische gestalte, zoals de bevallige Europa uit de Griekse mythologie, de mooie prinses uit de stad Sidon (in het huidige Libanon), die door Zeus naar Kreta wordt ontvoerd om er de liefde mee te bedrijven, waaruit vervolgens de oudste cultuur van Europa, de Minoïsche, ontspringt? De oorsprong ligt immers altijd elders.

De vragen naar het waar en wanneer van Europa voeren onvermijdelijk naar een derde vraag: wat is nu eigenlijk het Europa waarnaar we op zoek zijn? In feite is dit de meest fundamentele vraag, aangezien we onze zoektocht naar de grenzen van Europa in ruimte en tijd pas kunnen aanvangen als we op zijn minst enige notie hebben van waar we nu eigenlijk naar op zoek zijn, of dat nu een verleden of toekomstige realiteit is, of een mythische gestalte.

Nieuws

Deze website wordt momenteel vernieuwd

Boeken van Jos de Mul

Doorzoek deze website

Contactinformatie