Book chapters
Typography
  • Smaller Small Medium Big Bigger
  • Default Helvetica Segoe Georgia Times
Jos de Mul. Keuzedelirium: over de paradox van de keuzevrijheid. In: Wil de burger wel kiezen? Over keuzevrijheid in de gezondheidszorg en de energiemarkt, V. Bekkers et. al, Rotterdam: Center for Public Innovation, 2006, 17-25.

Zo’n twee- à driemaal per week, bij voorkeur rond etenstijd, word ik opgebeld door een persoon die mij mededeelt dat ik naar alle waarschijnlijkheid teveel betaal voor mijn telefoon, internetaansluiting, gas, elektriciteit, hypotheek, pensioenpremie of zorgverzekering.  Gelukkig blijkt daar altijd wat aan te doen. Ik hoef slechts gebruik te maken van mijn keuzevrijheid en van aanbieder te veranderen.  De eerste jaren waren die telefoontjes mij, op het tijdstip waarop ze plaatsvonden na, niet onwelkom. Zo bleek het dat ik bijvoorbeeld inderdaad fiks kon besparen op mijn telefoonkosten door carrier preselect te gaan bellen.

Inmiddels is de keuzevrijheid met betrekking tot de aanschaf van producten en diensten overweldigend. Maar helaas vaak ook nogal frustrerend. En dat is niet alleen mijn ervaring. Als ik mijn oor te luisteren leg tijdens in mijn omgeving of een willekeurige krant of tijdschrift open sla, dan beluister ik een massaal ongenoegen. Er wordt diep gezucht over de overvloed aan keuzen. Overvloed én onbehagen. De keuzestress neemt toe en mondt langzamerhand uit in een beknellende keuzedwang. Goede raad is niet langer duur, maar vind maar eens de tijd om hem tussen de overvloed van slechte raad te vinden.

Van keuzevrijheid naar keuzedwang

Enige tijd geleden vond ik in Clive Crook, adjunct-hoofdredacteur van het Britse weekblad The Economist, een onverwachte lotgenoot. In een van zijn artikelen gaf hij lucht aan de verbijstering die hem overviel toen hij bij Amerikaanse Walmart een middeltje tegen de griep wilde kopen en geconfronteerd werd met veertig meter antigriepmiddelen op de schap. Dat was zelfs voor deze spreekbuis van de neoliberale ideologie een tikkeltje teveel van het goede. Toch stelde hij in zijn artikel dat hij in weerwil van de evidente nadelen toch de voorkeur aan een dergelijk keuzedelirium te geven boven de situatie waar er voor hem gekozen wordt. En wie zou hem op dit punt niet naspreken? Keuzevrijheid is een groot goed en daar doen we als moderne, vrijheidslievende mensen niet graag afstand van.

Maar dat neemt niet weg dat we inmiddels zuchten onder een enorme keuzeoverlast. Wie tegenwoordig zoiets simpels als een telefoonaansluiting wil, dient niet alleen te kiezen tussen verschillende systemen, die ieder zo hun eigen voor- en nadelen hebben (vast, mobiel, analoog, ISDN of kabel) en tientallen soorten abonnementstypen, maar ook nog eens uit vele honderden verschillende typen telefoontoestellen. Zeker, het is prettig dat de tijd voorbij is dat KPN alleenheerser was op het gebied van de telefonie, je als gevolg daarvan zes weken moest wachten op je aansluiting en je telefoons kon krijgen ‘in any colour, as long as it was grey’. Maar toch bekruipt mij steeds vaker het gevoel dat er ergens in deze ontwikkeling iets fout is gegaan. Een overmaat aan keuzevrijheid leidt onvermijdelijk tot keuzestress.

Natuurlijk kunnen we proberen ons te wapenen tegen keuzestress. Wanneer we overweldigd worden door het enorme aanbod van auto’s, stofzuigers of tuners (in een beetje goed gesorteerde winkel met geluidsapparatuur kun je met de aanwezige componenten al gauw honderdduizenden verschillende muzieksystemen samenstellen), kunnen we bijvoorbeeld een test van de consumentenbond raadplegen. Het probleem is echter dat de meeste geteste modellen op het moment van de aankoop alweer vervangen zijn door nieuwere modellen.

Vervelend is vooral wanneer keuzestress optreedt in situaties waarin we ons niet kunnen onttrekken aan het maken van de keuze. Wie moe wordt van de keuze tussen tientallen vakantiebestemmingen, kan vanzelfsprekend ook besluiten maar eens een jaartje thuis te blijven en bij uitzondering eens echt uit te rusten. Maar steeds meer keuzen worden ons door de economische liberalisering en flexibilisering dwingend opgelegd. Wie door de drukte een verlofdagenstuwmeer heeft opgebouwd, wordt gedwongen na te denken over de vraag of hij wel of niet in actie moet komen. Niets doen is niet aantrekkelijk, omdat je dan je dagen kwijt bent. Maar moet je die opgespaarde dagen dan laten uitkeren in geld, laten omzetten in extra pensioen, in vroeger pensioen, deeltijdverlof, een sabbatical of een ouderschapsverlof wellicht. Dat laatste vormt weer al een probleem op zich. De vraag of we al of niet kinderen willen, is sinds de beschikbaarheid van betrouwbare voorbehoedsmiddelen ook al weer enkele decennia onttrokken aan het toeval en onderwerp geworden van een bewuste keuze. En tijdens de zwangerschap worden aanstaande ouders, wanneer prenatale diagnostiek ernstige defecten of ziekten aan het licht brengt, verplicht te kiezen of ze de zwangerschap wel of niet willen laten afbreken. En ook aan het eind van de rit worden steeds meer ouderen, die worden getroffen door een ondragelijke of uitzichtloze ziekte, voor de keuze geplaatst of ze nog willen verder leven of opteren voor een passieve of actieve vorm van levensbeëindiging. Gelukkig zijn niet alle keuzen die we moeten maken kwesties van leven of dood, maar het aantal dilemma’s in ons leven neemt zienderogen toe.

Wat de massale toename van de keuzedwang extra vervelend maakt, is dat nogal wat keuzen in werkelijkheid schijnkeuzen blijken te zijn. Wat heb je eraan, zo vraagt Barry Schwartz zich in zijn in 2004 verschenen boek The Paradox of Choice af, als je in een Amerikaanse supermarkt kunt kiezen tussen zestig soorten sponzig brood, als er geen vers brood verkrijgbaar is? En wat heb je aan de keuze tussen honderdvijftig verschillende soorten jus d’orange als je, als het erop aan komt, slechts kunt kiezen tussen twee grotendeels inwisselbare presidentskandidaten? Schwarz spreekt in zijn boek voornamelijk over de Verenigde Staten, maar ook in Europa gaan we in sneltreinvaart dezelfde richting uit. En op het continent is Nederland daarbij weer het braafste jongetje van de klas als het gaat om het volgen van het voorbeeld van onze neoliberale Grote Broer.

De ‘verkeuzing’ van de overheidsvoorzieningen

De afgelopen decennia heeft er ook ten aanzien van de klassieke overheidsvoorzieningen een omvangrijke liberalisering en verzelfstandiging plaatsgevonden. Wat ooit een neoliberaal stokpaardje was, wordt nu ook breed - zij het meestal wat minder triomfantelijk – gedragen door christen- en sociaaldemocraten. Het gevolg is dat  we tegenwoordig ook op dit terrein  worden overspoeld door een ‘tsunami van keuzen’. Het uitzoeken van de juiste school of een vervolgopleiding voor de kinderen op basis van onderwijskeuzegidsen, rapporten van de onderwijsinspectie en slaagpercentages van de leerlingen, is tegenwoordig meer dan ooit een crime. Het aanbod aan opleidingen in het vervolgonderwijs is zo overweldigend dat toenmalig KNAW-president Frits van Oostrom het ooit vergeleek met de menukaart van een slechte Chinees. En leerlingen met een handicap of leerprobleem zuchten ondertussen, in geval er zich problemen voordoen, ook nog eens onder hun ‘rugzakje’ met naar eigen keuze te besteden extra onderwijs-zorgmiddelen.

Ook met betrekking tot de zorg en de energiesector is de keuzedwang groot. Inmiddels kunnen we in Nederland kiezen uit meer dan zeshonderd verschillende particuliere zorgpolissen. Zelfs de meest toegewijde keuze-aficionado raakt hier in een staat van paniek. Menige zorgconsument zet zijn hoop op een website waarin de overmaat aan zorgverzekeringen met elkaar kunnen worden vergeleken. Het probleem is echter dat er daarvan nu ook al weer meer dan twintig zijn, waartussen dan natuurlijk eerst nog weer gekozen moet worden. Er zijn momenten dat ik wel eens dagdroom van een nieuw soort TomTom, die mij door de keuzejungle van mijn leven leidt.

De vraag is waarom we ons vrijwillig overgeven aan het keuzedelirium, terwijl we er toch vaak onder lijden?  Het standaardantwoord van de neoliberalen luidt dat er daarvoor goede, economische redenen zijn, zoals kostenbesparing en het feit dat met de keuzevrijheid ook de kans groter wordt dat iedereen uiteindelijk krijgt wat hij of zij wil. Keuzevrijheid, zo luidt het credo, kost wat, maar dan krijg je ook wat!

Daar valt echter het nodige tegen in te brengen. Zelfs wanneer we ons beperken tot economische overwegingen kun je je afvragen of de toename van de keuzevrijheid wel in alle gevallen zo voordelig is. Zo zien we bijvoorbeeld dat de liberalisering en de daarmee gepaard gaande concurrentie in de gezondheidszorg onder meer leidt tot vele miljoenen euro’s verslindende reclamecampagnes en exorbitante salarissen van het topmanagement. En ook in het geval van schijnkeuzen wegen de economische baten niet op tegen de kosten. Zo maakt het wat de elektriciteitsvoorziening betreft weinig uit welke aanbieder je kiest. Mogelijk kun je een paar Euro’s per maand uitsparen door van leverancier te wisselen, maar omdat er maar één netwerk is, is iedereen de dupe als dat uitvalt. En in Californië hebben we gezien dat liberalisering de stabiliteit van het netwerk allerminst ten goede komt.

Daarnaast heeft de liberalisering ook een sociaal prijskaartje.Kees Schuytwees er in 2005 in zijn G-lezing op dat een toename van keuzevrijheid de solidariteit onder de verschillende bevolkingsgroepen uitholt.  Op het gebied van de zorg is er het schrikbeeld van een ‘genocratie’, waarin genetisch superieuren zich niet alleen als klasse, maar mogelijk ook als biologische soort onderscheiden van een genetisch inferieure onderklasse. Dat worden drukke tijden voor de postindustriële opvolgers van Marx. Misklonen aller landen, verenigt u!

Maar nog los van degenoemde negatieve consequenties van de toename van de keuzevrijheid, kent keuzevrijheid ook inherente troebelen. Psychologische en antropologische overwegingen maken duidelijk waarom een toename van de keuzevrijheid niet alleen een zegen, maar tevens een vloek betekent. Laten we deze paradox van de keuzevrijheid eens wat nader beschouwen.

Negatieve en positieve keuzevrijheid

Wie doorvraagt naar de zin van de keuzevrijheid, stuit vroeg of laat op de stelling dat mensen beter af zijn naarmate er meer te kiezen valt. Keuzevrijheid hangt nauw samen met het veelgeprezen beginsel van de menselijke autonomie ofwel zelfbestuur. En zelfbestuur is slechts mogelijk als we wat te kiezen hebben.

Om onze autonomie ten volle te kunnen realiseren dienen we – ik refereer hier aan het beroemde onderscheid dat Isaiah Berlinmaakt in Two Concepts of Liberty (1958) – niet alleen negatieve vrijheid te hebben in de zin dat we niet worden gehinderd om te doen wat we willen, maar ook positieve vrijheid, die erin bestaat dat we in staat zijn om te kiezen tussen verschillende levensvervullingen. Een persoon die zich onbelemmerd kan overgeven aan een verslaving is vrij in negatieve zin; pas wie in staat is te kiezen tussen een leven als verslaafde of een leven zonder verslaving kent positieve vrijheid. Alleen in het laatste geval is er sprake van autonome zelfbepaling. Zo ook kunnen we zeggen dat de consument die niet wordt belemmerd om die ene grijze telefoon van KPN aan te schaffen, enkel negatieve vrijheid kent. Op het moment dat hij kan kiezen tussen een donkergrijze en een lichtgrijze telefoon betreedt hij het paradijs van de positieve keuzevrijheid. Hoe meer keuzen er zijn, des te beter. De kans dat het product of de dienst wordt aangeboden die de consument wenst, wordt immers groter naarmate er meer te kiezen valt. En daarmee worden ook  welzijn en geluk gemaximaliseerd.

Hoewel Berlin beide vormen van vrijheid van belang acht, merkt hij wel op dat de notie van positieve vrijheid ook het gevaar in zich draagt totalitaire trekjes te krijgen. In het verleden zijn er op paradoxale wijze juist uit naam van de positieve vrijheid bepaalde idealen – bijvoorbeeld de communistische heilstaat - dwingend opgelegd. Je zou je kunnen afvragen of dat gevaar ook niet bestaat met betrekking tot het ideaal van keuzevrijheid zelf,los van despecifieke invulling. Wat je kiest mag je zelf weten, maar kiezen zul je! De wat ongemakkelijke vraag of  keuzevrijheid in alle omstandigheden nastrevenswaardig is, wordt zelden gesteld.

De paradox van de keuzevrijheid

Het is nu echter precies de vooronderstelling dat meer keuze altijd beter is die door de Amerikaanse psycholoog Barry Schwartz in zijn eerder genoemde The Paradox of Choice ter discussie wordt gesteld. Zijn stelling luidt dat meer keuze slechts tot een bepaald punt beter is. Nadat dat punt wordt gepasseerd, is er sprake van een snel afnemende meeropbrengst. Twee soorten jam bij het ontbijt is veel beter dan één, maar als je al vijf soorten jam op tafel hebt staan, dan zal de winst van nog een extra smaak niet bijzonder groot zijn. Daar komt nog bij dat de met de keuzevrijheid vaak ook de nadelen toenemen en niet sneller in een sterkere mate dan de voordelen van de toegenomen vrijheid.

Schwartz’ theorie is geïnspireerd door onderzoek van de psychologen Sheena Lyengar en Mark Lepper. In een delicatessenzaak zagen zij een tafel waarop vierentwintig soorten jam stonden uitgestald. De klanten mochten gratis proeven en als ze dat deden kregen ze een bon die recht gaf op een één dollar korting bij de aanschaf van een pot jam. De belangstelling om te proeven was groot, maar tot verbazing van de winkeleigenaar kochten maar weinig klanten na het proeven een pot jam. Om die reden besloot hij de opstelling te veranderen en plaatste hij nog maar zes verschillende smaken op de tafel. Het aantal proevers nam weliswaar af, maar het aantal van hen dat na het proeven een pot jam kocht groeide spectaculair: tienmaal zoveel mensen besloten tot een aanschaf.

Hoe komt dat? Daarvoor zijn verschillende redenen. In de eerste plaats neemt de tijdsinvestering toe naarmate er tussen meer opties moet worden gekozen. Zeker als het gaat om complexe producten als zorgverzekeringen, die op veel punten met elkaar vergeleken moeten worden,  neemt de benodigde tijdsinvestering exponentieel toe. Wie zeshonderd zorgverzekeringen op alle relevante punten met elkaar wil vergelijken, zal – zelfs bij gebruikmaking van een vergelijkingssite - serieus moeten denken aan een sabbatical leave.

Daar komt, in de tweede plaats, bij dat met de toename van de keuzemogelijkheid ook de verwachtingen groeien. Als er maar één type telefoon of verzekering te krijgen is, weet je al van tevoren dat die niet op alle punten zal voldoen aan je wensen. Als dat na een tijdrovende keuze tussen honderden mogelijkheden nog steeds niet het geval is, zal de teleurstelling en frustratie des te groter zijn.

In de derde plaats neemt, naarmate het keuzeaanbod toeneemt, ook de kans toe dat  een verkeerde keuze wordt gemaakt én dat men daarvan achteraf spijt heeft. Dat geldt zelfs als je weigert te kiezen. Het vaakgehoorde argument dat de consument helemaal niet gedwongen wordt om te kiezen, maar desgewenst vrij is bij zijn huidige energieleverancier te blijven, is maar ten dele waar. Als de consument ervoor kiest bij zijn huidige energieleverancier te blijven, bijvoorbeeld omdat hij het zich informeren over alle mogelijkheden te tijdrovend vindt, dat zal hij zich in veel gevallen toch ongelukkig voelen door het vermoeden daarmee een dief van zijn eigen portemonnee te zijn.

Bovenstaande argumenten gelden in nog sterkere mate wanneer het gaat om keuzes die omkeerbaar zijn. Vroeger was een huwelijk in veel gevallen een keuze voor het leven. Ook wanneer de keuze minder gelukkig bleek te zijn, maakten religieuze en/of financiële redenen vaak onmogelijk  te scheiden. Er zat dan weinig anders op je neer te leggen bij de situatie. Tegenwoordig is het een stuk gemakkelijker om te scheiden en in een aanzienlijk deel van de huwelijken gebeurt dat dan ook. Dat betekent echter niet vanzelfsprekend dat het levensgeluk van de scheidende echtlieden en hun mogelijke kroost daardoor toeneemt.  Bovendien voelt degene die ondanks een slechts huwelijk besluit toch niet te scheiden - bijvoorbeeld vanwege de kinderen - zich ongelukkiger dan vroeger omdat hij of zij steeds wordt gekweld door de gedachte dat hij of zij anders had kunnen kiezen.

Daarbij komt nog dat de mens nu niet bepaald goed is in het kiezen. De economische wetenschap gaat ervan uit dat de mens een homo economicus is, een rationeel wezen dat op basis van volledige informatie zijn behoeftebevrediging maximaliseert. Dat is zonder twijfel een vruchtbaar model om de economische wetenschap op te baseren, maar stemt niet erg overeen met de alledaagse praktijk van keuzeovervloed. Mensen worden, zoals door de econoom Herbert Simon is onderstreept, gekenmerkt door een ‘bounded rationality’. Het ontbreekt de meeste mensen nu eenmaal aan tijd, de middelen en/of de intellectuele capaciteiten om goed geïnformeerd te kiezen op al die terreinen waarop we dat geacht worden te doen. Als het er werkelijk toe doet, beseffen we dat overigens ook vaak wel. Barry Schwarz wees onlangs in een interview op een onderzoek waaruit bleek dat 70% van de ondervraagden te kennen gaf dat zij, indien zij kanker zouden krijgen, zelf de regie met betrekking tot het behandelingstraject zouden willen voeren. De belangrijkste uitzondering werd echter gevormd door de mensen die reeds kanker hadden. Van hen stelde slechts 12% er prijs op daarbij het laatste woord te hebben.

Mensen zijn bovendien niet alleen  beperkt in hun rationaliteit, maar ze kiezen vaak ook op irrationele gronden. Wie geneigd is een duurdere auto te kopen dan hij zich eigenlijk kan veroorloven, omdat de buurman er ook zo één heeft, is feitelijk niet gebaat bij een verruiming van de mogelijkheid om daarvoor een forse lening af te sluiten. Onderzoek laat bovendien zien, dat mensen zich juist bij grote beslissingen – zoals het kiezen van een partner of het  kopen van een huis – eerder door hun gevoelens dan door hun verstand laten leiden. Daarbij blijken mensen ook nog tamelijk gemakkelijk te misleiden. Aan dat manco danken wij de reclamebranche. En dan heb ik het nog niet eens over de neuropsychologen die beweren dat het idee dat we keuzevrijheid hebben hoe dan ook een illusie is. Onderzoek op dit terrein geeft aan dat onze hersenen vaak de beslissing al hebben genomen voordat die we de bewuste keuze maken.

Al met al lijkt een toename van de keuzevrijheid voorbij een bepaald punt ons eerder ongelukkiger dan gelukkiger te maken. Nu dient daar wel bij te worden aangetekend dat niet iedereen in dezelfde mate gebukt gaat onder de keuzevrijheid. Mensen kunnen, zoals de eerder genoemde Herbert Simon stelt, worden opgedeeld in satisficers en maximizers. Satisficers stellen voor zichzelf bij een keuze bepaalde criteria vast waaraan datgene wat gekozen moet worden minimaal moet voldoen. Zodra ze een stofzuiger, verzekering, baan of partner vinden die daaraan voldoet, zijn ze tevreden en zoeken ze niet verder. Maximizers daarentegen willen het onderste uit de kan. Waar de satisficer al toe is aan zijn zilveren bruiloft, daar is de maximizer nog steeds op zoek naar de ideale partner. Maximizers lopen daardoor een grotere kans ongelukkig te worden dan satisficers. Dat neemt niet weg dat de kans ongelukkig te worden voor beide groepen toeneemt wanneer de de groei van de keuzevrijheid het omslagpunt passeert. En dat punt ligt inmiddels ruimschoots achter ons.

Mogelijkheidszin

In het licht van de bovenstaande overwegingen zou de gedachte kunnen postvatten dat we er beter aan zouden doen het aantal keuzen te verminderen. We merkten echter al op dat dit niet zo eenvoudig is. Dat heeft te maken met het feit dat mensen niet zozeer keuzen hebben, maar veeleer keuze zijn. En mensen zijn dat bovendien in de afgelopen eeuwen in veel grotere mate geworden dan dat zij dat in het verleden waren. De volgende antropologische overwegingen maken duidelijk waarom dat zo is.

Levenloze dingen hebben eigenschappen. Mensen daarentegen worden gekenmerkt door mogelijkheden. Of zoals de filosoof Heidegger het uitdrukt in Sein und Zeit (1927), mens zijn betekent letterlijk mogelijk-zijn. Wat we morgen doen, ligt niet vast, maar wordt bepaald door onze keuzen. Mensen zijn bovendien nooit af, ze moeten zich altijd nog realiseren. Ze zijn ontwerp. Ook dat impliceert een fundamentele keuzevrijheid. In het licht van het voorafgaande betekent dat niet altijd een pretje. Sartre zal, Heideggers weg verder denkend, zelfs stellen dat de mens gedoemd is vrij te zijn.

De menselijke vrijheid mag fundamenteel zijn, dat betekent niet – zoals we in het voorafgaande reeds zagen – dat zij onbegrensd zou zijn. Ook Heidegger wijst op de grenzen die aan de menselijke vrijheid zijn gesteld en hij onderstreept dat die niet minder fundamenteel zijn. Zo beginnen we ons leven niet vanaf een nulpunt, maar komen we ter wereld als een concrete persoon met specifieke biologische, etnische, geslachtelijke en economische kenmerken. We zijn altijd al op een bepaalde wijze ‘in de wereld geworpen’. Daarom noemt Heidegger de mens een ‘geworpen ontwerp’. Ook tijdens ons leven overkomt ons veel dat zich onttrekt aan onze keuzevrijheid. Bovendien zijn we allemaal sterfelijk, zodat het kiezen vroeg of laat geheel ten einde komt. Daar komt nog bij dat mensen in weerwil van hun vrijheid de neiging hebben te kiezen wat ‘men’ kiest. Zoals recentelijk in het door JanWillem Duyvendaken Menno Hurenkamp geredigeerde boek Kiezen voor de Kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid (2004) is beargumenteerd maken individuen, als het gaat om het stichten van een gezin, het kopen van een huis of auto of het kiezen van een school, massaal dezelfde keuzen. Bovendien sluiten eenmaal gemaakte keuzen veel andere mogelijkheden uit. We identificeren ons vaak met de keuzen die we eenmaal hebben gemaakt. Wie als boekhouder is geschoold, blijft meestal heel zijn leven boekhouder. Wat een keuze was, wordt een vaste eigenschap, een ‘tweede natuur’. We ‘verdinglijken’.

Voor zover we onze eigen keuzen maken, leven we volgens Heidegger ‘eigenlijk’ ofwel authentiek. Als we ons door anderen laten leiden of ons al dan niet gemakzuchtig identificeren met onze eerdere keuzen, dan leven we oneigenlijk ofwel inauthentiek. Heidegger onderstreept daarbij dat dit geen kwestie van alles of niets is. Mensen leven altijd zowel eigenlijk als oneigenlijk, waarbij de verhouding natuurlijk van persoon tot persoon kan verschillen. De ene persoon is van nature authentieker dan de ander.

Nu gaat Heidegger er in Sein und Zeit van uit dat het menselijke ‘Dasein’ altijd en overal dezelfde structurele kenmerken heeft. We kunnen ons echter afvragen of die structuur in  de loop van de tijd geen veranderingen ondergaat. We zijn nog steeds een ‘geworpen ontwerp’, maar in vergelijking met pakweg tweehonderd jaar geleden is de nadruk gaandeweg verschoven van het geworpen-zijn naar het ontwerp. Van een ‘geworpen ontwerp’ zijn we een ‘geworpen ontwerp’ geworden. Voor de meeste mensen was er vroeger niet zoveel te kiezen. Je bleef wonen in het dorp waar je ouders woonden, trouwde een meisje uit het dorp en werd, als je vader bakker was, zelf ook bakker. Tegenwoordig lijken we  in veel grotere mate de ontwerpers van ons eigen leven te zijn. We leggen ons niet meer vast voor het leven. We zijn nu veel mobieler en flexibeler, niet alleen geografisch, maar ook sociaal en in het persoonlijke leven. We veranderen vaker van woonplaats, baan en partner.

Ook de wereld waarin we leven wordt steeds meer vanuit onze ‘mogelijkheidszin’ begrepen. Met de opkomst van de moderne technologie is de wereld steeds maakbaarder geworden. Niet alleen weten we de natuurkrachten steeds beter voor ons karretje te spannen, maar waar nodig ontwerpen wij ook nieuwe natuur. Alles wordt deel van een mondiale database, waarvan de elementen zich eindeloos en in telkens nieuwe gestalten laten recombineren.  Zo is het leven voor de moleculair bioloog niet langer iets dat zich in een langdurige evolutie ontwikkeld, maar een genenpool die ons in staat stelt de meest wonderbaarlijke transgene organismen te ontwerpen. En ook de sociale wereld wordt een manipuleerbare database. Een organisatie is tegenwoordig een los conglomeraat van bedrijfsonderdelen die voortdurend herschikt dienen te worden. En in de populaire cultuur is iedere nieuwe mode een door nijver knip- en plakwerk verkregen recombinatie van de modes uit het verleden.

Met de verdere ontwikkeling van de biotechnologie lijken wij zelf het ultieme object van onze recombinatiedrift te worden. Prenatale screening en genetische manipulatie openen het uitzicht op de Homo sapiens 2.0. En wie niet tevreden is met het geworpen of ontworpen resultaat, kan altijd nog kiezen voor een ‘extreme makeover’.

De beheersing van de keuzeoverlast

Als we, Heideggers analyse indachtig, vaststellen dat we vanwege specifieke politieke, economische en technologische ontwikkelingen  tegenwoordig niet zozeer meer keuzen hebben, maar meer keuzen zijn, dan wordt het duidelijk waarom we ondanks de nadelen die we daarvan ondervinden, er toch moeilijk afstand van kunnen doen. We zouden daarmee immers afstand doen van onszelf, van wie we in de loop van onze evolutie en cultuurgeschiedenis zijn geworden.

Dat maakt het des te dringender om strategieën te ontwikkelen om dan in ieder geval de overlast die met de toegenomen mogelijkheidszin gepaard gaat terug te dringen of op zijn minst beter leefbaar te maken. Een cruciale eerste stap is daarbij te bedenken ten aanzien van welke zaken we keuzen willen maken en ten aanzien van welke niet. Authentiek zijn door keuzen te maken in het leven is een nastrevenswaardig ideaal, maar het is minstens zo belangrijk te weten wanneer het beter is inauthentiek te leven. Zeker wanneer het gaat om schijnkeuzen is het beter je te laten leven dan veel tijd en energie te stoppen in zaken die er als puntje bij paaltje komt toch weinig toe doen. Soms is niet-kiezen verre te verkiezen boven wel-kiezen! Dat we lang tobben over de keuze of  we een bepaalde genetische ingreep wel of niet willen toepassen, welke studie we zullen kiezen, of met wie we ons leven willen delen, is een goede tijdsinvestering, maar om vele uren te besteden aan de vraag of we van elektriciteitsleverancier moeten wisselen is weggegooide tijd.

Daarbij is het tevens belangrijk te proberen steeds de kosten van de keuzevrijheid in het achterhoofd te houden. Wanneer de toename van individuele keuzevrijheid in de zorg de solidariteit ondermijnt, dan getuigt het van wijsheid grenzen aan die vrijheid te stellen. Omdat de nadelen van een toename van de keuzevrijheid voorbij een bepaald omslagpunt onvermijdelijk groter worden dan de voordelen, is het verstandig een toename van keuzevrijheid niet zonder meer als iets nastrevenswaardigs te beschouwen. In heel veel gevallen is genoeg meer dan overvloed. Aan deze gedachte kunnen we een goed argument ontlenen om te komen tot een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld. We helpen daarmee niet alleen de armen, die immers veel voordeel hebben bij een toename van hun te geringe keuzevrijheid, maar we doen dit dan ook uit mededogen met de rijken, die zuchten onder hun keuzelast.

De belangrijkste les die we uit het voorafgaande kunnen trekken is misschien wel dat we tegenwoordig meer lijden aan een ‘menselijk teveel’ dan aan een ‘menselijk tekort’! Vanzelfsprekend is het niet eenvoudig er achter te komen waar precies het punt ligt waarbij ons lijden aan het tekort overgaat in een lijden aan het teveel.  Maar alleen al het feit dat er – al was het maar in theorie - zo’n punt van pijnloos evenwicht bestaat, is in ons palliatieve tijdperk een troostrijke gedachte.

 

Met dank aan Bibi van den Berg, Esther Keymolen en Liesbeth Noordegraaf-Eelens voor hun waardevolle commentaar op de conceptversie van deze tekst.

 

 

Nieuws

Deze website wordt momenteel vernieuwd

Boeken van Jos de Mul

Doorzoek deze website

Contactinformatie