Essays in newspapers and cultural magazins
Typography
  • Smaller Small Medium Big Bigger
  • Default Helvetica Segoe Georgia Times
Jos de Mul. We moeten niet méér democratie, maar bétere democratie. Vrij Nederland Online, 24 februari 2017.

Referenda of loterijen zullen de crisis van de democratie niet oplossen, betoogt filosoof Jos de Mul. De elites moeten een échte open dialoog met de burgers aangaan, en ook de belangen van de PVV-kiezers serieus gaan nemen.

De opkomst van het populisme heeft mede geleid tot discussies over de kloof tussen burger en politiek, de crisis van de democratie en de manieren om die kloof te overbruggen en de crisis te bezweren. Veel bijdragen aan het publieke debat gaan ervan uit dat genoemde kloof en crisis samenhangen met het representatieve karakter van de huidige democratie. De oplossing wordt dan gezocht in meer of minder drastische herzieningen van het democratisch bestel. Bijvoorbeeld in de richting van meer deliberatieve of directe vormen van democratie.

Bij de formulering van de oplossing speelt het natuurlijk een grote rol hoe men tegen het populisme aankijkt. Wie het populisme als een bedreiging beschouwt voor de rechtsstaat en de pluralistische democratie, zal naar andere oplossingen neigen dan wie van mening is dat populisten een nuttige, correctieve functie vervullen in de representatieve democratie of dan degenen die het populisme ruim baan willen geven omdat het de meest ideale vorm van democratie belichaamt. In dit essay zal ik enkele analysen en voorstellen bespreken en wegen.


Het ‘duistere populisme’

In 2008 beargumenteerde de Vlaamse filosoof en archeoloog David Van Reybrouck in zijn Pleidooi voor populisme (2008) ‘dat er niet minder, maar een beter populisme nodig is. Populistische partijen, zowel ter linker- als ter rechterzijde, die zich aan de grondbeginselen van de rechtsstaat houden, betekenen een verrijking voor de politiek.’

Nadat Van Reybrouck het ‘duistere populisme’, dat uitgaat van de vooronderstelling dat het volk een homogeen blok vormt en dat de populistische leider de volkswil op exclusieve en autoritaire wijze belichaamt heeft bekritiseerd, houdt hij een warm pleidooi voor een verlicht populisme, ‘een populisme dat verder gaat dan een politiek van brallerige boutades en simplistische antwoorden, van mogen schelden en kwetsen in naam van de vrijheid van meningsuiting; (…) een populisme dat zich bekommert om het maatschappelijke weefsel, om gelijke kansen en sociale rechtvaardigheid; een populisme dat zowel genereus is als moedig, zowel mild als ferm.’

Dat klinkt heel mooi, maar de vraag is hoe we zo’n populisme kunnen bewerkstelligen of bevorderen. Van Reybrouck is van mening dat het daarvoor nodig is dat we de oorzaken van het ‘duistere populisme’ bestrijden. Die oorzaken zijn volgens hem gelegen in een groeiende cultuurkloof tussen hoog- en laaggeschoolden, die onder meer tot uitdrukking komt in het feit dat onze democratie een ‘diplomademocratie’ is geworden, waardoor laaggeschoolden vrijwel afwezig zijn in het parlement.


Laag geluksgevoel

Het Sociaal en Cultureel Rapport 2014 bevestigt dat beeld: in de Nederlandse samenleving tekent zich inderdaad een kloof af tussen deze groepen. Lage scholing correleert met laag inkomen, een slechte positie op de arbeidsmarkt, een relatief laag geluksgevoel en, wanneer er wordt gestemd, een voorkeur voor populistische partijen als de PVV. Ook het jaarlijkse rapport van de Inspectie van Onderwijs in 2016 bevestigde die kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Door de vroege schoolkeuze en de opsplitsing van schoolgemeenschappen in vmbo, havo, atheneum en gymnasium slinken de kansen van kinderen van laagopgeleiden, en daarmee groeien voor hen de verschillen in wonen, kansen op de arbeidsmarkt en gezondheid. Als we de voedingsbodem voor het ‘duistere populisme’ willen weghalen, dan is het van het grootste belang dat we de groeiende segregatie in het onderwijs en het wonen tegengaan. Om die reden pleit Van Reybrouck voor ‘meer raakvlakken tussen elite en massa’, meer laagopgeleiden in het parlement en vernieuwing van het politieke bestel.

Daarbij grijpt Van Reybrouck terug op de zogenaamde loterijdemocratie die in het klassieke Athene al bestond en die tot aan de Franse Revolutie regelmatig werd toegepastDie vernieuwing is het onderwerp van Van Reybroucks essay Tegen verkiezingen (2013), waarin hij zijn ervaringen met het Belgische burgerforum G1000 heeft verwerkt. Hij keert zich tegen de representatieve democratie en pleit voor een meer deliberatieve vorm van democratie, waarbij de burgers zelf overleggen, argumenten uitwisselen en beslissingen nemen. Daarbij grijpt hij terug op de zogenaamde loterijdemocratie die in het klassieke Athene al bestond en die tot aan de Franse Revolutie regelmatig werd toegepast, onder meer in bloeiende republieken als die van Venetië en Florence tijdens de Renaissance. In die republieken werden de bestuurders telkens voor een bepaalde periode door loting geselecteerd, zodat iedere burger beurtelings kon regeren en geregeerd worden.

De voordelen zouden legio zijn: grotere betrokkenheid van de burgers, meer creativiteit door de diversiteit van argumenten (geen tunnelvisies) en minder grote invloed van demagogie en vriendjespolitiek. Kortom: een superieure vorm van democratie en politiek bestuur. Dat de leiders van de Amerikaanse en Franse Revoluties zich tegen dit ideaal keerden, was volgens Van Reybrouck vooral omdat zij liever zelf de teugels in handen hielden. Daarmee ontstond er een ‘gekozen aristocratie’, een ‘democratische elite’ die er vooral op uit was om op het pluche te blijven zitten en die dat – in weerwil van de uitbreiding van het kiesrecht in de negentiende en twintigste eeuw – tot op heden is blijven doen. Volgens Van Reybrouck is het hoog tijd om de loterijdemocratie opnieuw in te voeren, bijvoorbeeld te beginnen met de Eerste Kamer.

Demagogie was allerminst afwezig in Athene.Ook dat klinkt op het eerste gehoor aantrekkelijk, maar het beeld dat Van Reybrouck van de Atheense loterijdemocratie schetst, is nogal geïdealiseerd. Zo werd er ook in Athene over cruciale functies niet besloten door middel van loting, maar door verkiezing, waarbij deskundigheid de doorslag gaf. De getalenteerde staatsman en veldheer Perikles werd om die reden tot aan zijn dood herhaaldelijk herkozen als strategos. En zoals ik eerder opmerkte, was demagogie allerminst afwezig in Athene. Na de onverwachte dood van Perikles trok de oorlogshitser Kleon de macht naar zich toe, die hij door zijn agressieve demagogie en valse beschuldigingen van tegenstanders tot aan zijn dood wist te behouden.


Witte, hogeropgeleide mannen

Maar los van de vraag of het geschetste model van de loterijdemocratie ooit heeft bestaan, kan men zich afvragen of het toepasbaar is op de hedendaagse samenleving. De voorbeelden die Van Reybrouck geeft zijn relatief simpele stadstaten met een geringe bevolking. Het valt te betwijfelen of het politieke bestuur van een uiterst complexe staat als Nederland mogelijk is zonder deskundigen. Bovendien, zo beargumenteert politicoloog Ton van der Meer in zijn recent verschenen Niet de kiezer is gek (2017), leidt de omvang van de bevolking ertoe dat minder dan 0,025% van de Nederlandse burgers op enig moment van hun leven ingeloot zou kunnen worden in fundamentele organen als de gemeenteraad of het parlement. Het valt moeilijk voor te stellen dat dat de betrokkenheid van de burger zou vergroten.

Het valt te betwijfelen of het politieke bestuur van een uiterst complexe staat als Nederland mogelijk is zonder deskundigen.En lokale experimenten met de loterijdemocratie leren dat ook daar voornamelijk witte, hogeropgeleide mannen op af komen. Daarmee los je de onderrepresentatie van laagopgeleiden (en evenmin die van vrouwen en migranten) dus niet op. En als je deelname aan de loterijdemocratie verplicht zou stellen, dan zou je miskennen dat burgers allerlei goede (en minder goede) redenen kunnen hebben om zich niet beschikbaar te stellen voor het bestuur. Ten slotte kun je op statistische gronden betwijfelen of een loterijdemocratie, zelfs als deelname verplicht zou zijn, zou leiden tot een goede afspiegeling van de bevolking. Dat laatste zou je kunnen oplossen door de loterij te vervangen door een representatieve steekproef, maar het zou de andere gesignaleerde problemen – het gebrek aan deskundigheid en het geringe aantal participanten – niet wegnemen.


Democratisch tekort

Een derde mogelijke vorm van democratie naast de representatieve (zoals ons bestaande systeem) en de deliberatieve democratie (waarvan de loterijdemocratie een voorbeeld is) is de directe democratie waarbij alle burgers in de gelegenheid worden gesteld zich uit te spreken. Ook deze vorm heeft zijn wortels in de Atheense democratie, waar de Ekklesia – een volksvergadering van naar schatting dertig- tot vijftigduizend vrije, volwassen, mannelijke grondbezitters op een bevolking van tweehonderdvijftig- tot driehonderdduizend inwoners – regelmatig bijeenkwam in de stad om te discussiëren en te stemmen over belangrijke beslissingen, zoals het starten of beëindigen van een oorlog.

Dankzij de interactieve media kunnen burgers immers op tamelijk eenvoudige wijze – met een kopje koffie thuis op de bank – intensief participeren in het politieke bestuur.Hoewel het natuurlijk niet mogelijk is in Nederland een samenkomst van zeventien miljoen inwoners te organiseren, kun je een dergelijke directe vorm van democratie wel organiseren met behulp van de massamedia (voor de discussie) en oproepen om te gaan stemmen. En dankzij het internet wordt die organisatie van directe democratie nog veel eenvoudiger. Dankzij de interactieve media kunnen burgers immers op tamelijk eenvoudige wijze – met een kopje koffie thuis op de bank – intensief participeren in het politieke bestuur. Ze kunnen daar niet alleen hun – vaak ongezouten – mening geven, maar ook medebestuurders worden, bijvoorbeeld met behulp van referenda. Pleitbezorgers verwachten dat dergelijke vormen van directe democratie het ‘democratisch tekort’ zullen wegnemen, en daarmee ook de vermeende kloof tussen politiek en samenleving zullen dichten.


Op afstand bestuurbare stemkastjes

Anders de loterijdemocratie is de Wet Raadgevend Referendum (2015) – een bescheiden, want niet-bindende en slechts correctieve vorm van directe democratie – al realiteit geworden. We hebben er inmiddels ook al enige ervaring mee opgedaan, want de beweging GeenPeil bewerkstelligde dat er in 2016 een dergelijk referendum werd georganiseerd waarin de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne werd verworpen. En met Jan Dijkgraaf als lijsttrekker doet GeenPeil mee aan de komende Tweede-Kamerverkiezingen, waarbij de gekozenen zullen gaan fungeren als ‘op afstand bestuurbare stemkastjes’.

De meningen over referenda zijn erg verdeeld. Sommigen – onder wie veel populisten – zien referenda als de ultieme vorm van democratie en het middel bij uitstek om de democratische crisis van onze tijd op te lossen en het vertrouwen van de burgers in de politiek te herstellen. Die conclusie trekken bijvoorbeeld Thierry Baudet en Paul Cliteur in het onderzoeksrapport Echte democratie (2016) dat ze in opdracht van de PVV hebben uitgevoerd, waarbij ze het Zwitserse model aanbevelen dat in tegenstelling tot het huidige referendum in Nederland bindend (in plaats van raadgevend) en initiërend (in plaats van correctief) is. Burgers kunnen dan zelf ook thema’s voor referenda agenderen.

Die keuze is op zich wel te begrijpen: als bij niet-bindende referenda een regering de raad van ‘het volk’ niet volgt, dan wordt het vertrouwen in de politiek juist eerder ondermijnd dan vergroot. Dat is wel gebleken bij het Oekraïne-referendum, waarbij de afwijzing door de regering niet – of op zijn best in sterk afgezwakte vorm – werd overgenomen, wat begrijpelijkerwijze leidde tot teleurstelling en boosheid bij degenen die de Associatieovereenkomst hadden verworpen.


Exclusieve vertegenwoordiger van het volk

De vraag is echter of een initiërend en bindend – en volgens het advies van Baudet en Cliteur in sommige gevallen zelfs verplicht – referendum wel een goed idee is. Referenda versimpelen complexe zaken – die vaak een hele studie vergen om begrepen te kunnen worden, en lang niet alle burgers zijn daartoe bereid en/of in staat – tot simpele binaire keuzes. Ze kunnen gemakkelijk ontaarden in een dictatuur van de meerderheid en zijn bijzonder vatbaar voor demagogie, zeker in het tijdperk van fact free tweetocracy van so-called President Trump, gekenmerkt door ‘alternatieve feiten’, bizarre complottheorieën en inmenging in de besluitvorming door buitenlandse trollen. Deze nadelen traden al aan het licht bij het referendum over de Europese Grondwet in 2005 en ze zijn er met het Oekraïne-referendum niet minder op geworden. In veel opzichten was dit referendum eerder een overwinning voor de demagogie dan voor de democratie.

Referenda kunnen gemakkelijk ontaarden in een dictatuur van de meerderheid en zijn bijzonder vatbaar voor demagogieMisschien is dat de reden waarom de PVV en veel andere populistische partijen en bewegingen zulke warme voorstanders zijn van referenda. Het huidige populisme à la Wilders, waarbij de leider zich beschouwt als de exclusieve vertegenwoordiger van het volk, is slechts mogelijk binnen een representatieve democratie, terwijl directe vormen van democratie waarbij de burgers zelf kunnen kiezen, de macht van de populistische leider juist ondermijnen. Tenzij de leider meent dat referenda hem een uitgelezen gelegenheid bieden om de bevolking demagogisch in deze of gene richting te mennen.


Spanningen

In het licht van de problemen die aan de genoemde vormen van deliberatieve en directe democratie kleven, is de ‘reëel existerende representatieve democratie’ zo gek nog niet. Evenredige vertegenwoordiging zonder kiesdrempel doet het meest recht aan een pluralistische samenleving. Het is een open systeem dat iedereen die dat wil in staat stelt volksvertegenwoordiger te worden. En gezien de complexiteit van de hedendaagse samenleving is het misschien wel onvermijdelijk dat we ingewikkelde discussies deels uitbesteden aan deskundigen, die daarvoor publiekelijk verantwoording afleggen en bij de verkiezingen periodiek door de kiezers kunnen worden afgerekend op de kwaliteit van hun beslissingen.

Evenredige vertegenwoordiging zonder kiesdrempel doet het meest recht aan een pluralistische samenleving.De spanningen die dat soms oplevert, zitten ingebakken in de representatieve democratie zoals die in Nederland is georganiseerd. Aan de ene kant vertegenwoordigt het parlement het soevereine volk, maar anderzijds staat in de Grondwet – artikel 67, lid 3 – dat de leden van de Staten-Generaal stemmen zonder last. Dat wil zeggen dat de volksvertegenwoordiger dus juist niet ‘een op afstand te besturen stemkastje’ is, maar geacht wordt zijn eigen inzichten te volgen. In feite is onze representatieve democratie daarmee, zo betoogde historicus en filosoof Frank Ankersmit vorige maand in een essay in NRC Handelsblad, een mengvorm tussen de middeleeuwse representatie waarbij de adel, geestelijkheid en derde stand namens hun achterban met de koning onderhandelden over afdrachten en privileges, en de soevereiniteit van de absolute vorst uit de zeventiende en achttiende eeuw die geheel naar eigen inzicht kon beschikken over het lot van zijn onderdanen. De soevereiniteit van het parlement wordt in Engeland openlijk erkend en daarom kan de Brexit pas doorgaan na goedkeuring door dat parlement.

Welbeschouwd is die spanning tussen vertegenwoordiging en soevereiniteit juist een groot voordeel. Het draagt bij aan de checks and balances die onze democratie kenmerkt.Ankersmit noemt die ‘soevereiniteit van het parlement’ echter een ‘historische weeffout’. Zijn essay draagt niet voor niets de titel ‘Doe niet alsof we een echte democratie zijn’. Net als de voorstanders van de loterijdemocratie noemt Ankersmit de representatieve democratie spottend ‘een electieve aristocratie’. Maar welbeschouwd is die spanning tussen vertegenwoordiging en soevereiniteit juist een groot voordeel. Het draagt bij aan de checks and balances die onze democratie kenmerkt. Zo is er niet alleen een scheiding tussen de wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht (de befaamde trias politica), maar de genoemde spanning getuigt ook nog van een scheiding binnen de wetgevende macht. Het voordeel daarvan is dat het parlement als wetgevende macht niet domweg de – vaak ongeïnformeerde en door de waan van de dag gestuurde – mening van het volk moet uitvoeren, maar deze mening bediscussieert en toetst aan de Grondwet. Bezint eer gij begint!

Natuurlijk is ook het parlement niet onfeilbaar. Daarom hebben we naast de Tweede ook nog een Eerste Kamer, als een extra reflectielaag. In die zin kun je zeggen dat democratie de organisatie van verstandig wantrouwen is.

Het parlement wordt op zijn beurt gecontroleerd door het volk tijdens de verkiezingen. Als we eenmaal per vier jaar stemmen te mager vinden, of ervaren dat de balans tussen parlement en volk uit evenwicht raakt, dan kan een correctief referendum een nuttige aanvulling zijn. Niet ter vervanging van de representatieve democratie, maar als versterking van het ‘polderkarakter’ dat eigen is aan een scheiding der machten.

De kwaliteit van die polderende representatieve democratie wordt ook gereflecteerd in het eerdergenoemde feit dat er vrijwel geen andere landen in de wereld zijn waar de bevolking de kwaliteit van democratie en rechtsstaat zo hoog waardeert als juist in Nederland. Dat laat zich ook aflezen aan het feit dat de opkomst van 75% bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 2012 nog steeds behoort tot de hoogste in de westerse wereld en niet noemenswaardig is gezakt sinds de afschaffing van de opkomstplicht (76% in 1971).


De kiezer is niet gek

Betekent dit dan dat er helemaal niets aan de hand is? Nee, dat niet. De angst, boosheid en het wantrouwen van een deel van de burgers, de afkalving van de sociaaldemocratische en christendemocratische (en in mindere mate liberale) partijen en de daarmee gepaard gaande opkomst van het populisme wijzen erop dat deze partijen in de afgelopen twee decennia zowel hun representatieve als hun soevereine taken niet goed hebben vervuld. Tot die conclusie komt ook Tom van der Meer in het eerder genoemde Niet de kiezer is gek: ‘[De] kiezer is niet gek, maar juist assertief. De veranderlijkheid van kiezers is een teken van hun emancipatie. De opkomst van populistische en anti-elitaire partijen duidt niet zozeer op onvrede over de democratie, als wel op onvrede over het aanbod van de gevestigde partijen.’

De oplossing voor de vermeende ‘crisis van de democratie’, het ‘democratisch tekort’ of ‘de kloof tussen politiek en burger’ is niet gelegen in meer democratie, maar in betere democratie.Dat betekent volgens Van der Meer aan de ene kant dat we met best wat meer zelfvertrouwen mogen praten over onze Polderdemocratie, maar aan de andere kant ook dat de politieke partijen zich ernstig moeten beraden op hun functioneren. De oplossing voor de vermeende ‘crisis van de democratie’, het ‘democratisch tekort’ of ‘de kloof tussen politiek en burger’ is niet gelegen in meer democratie, maar in betere democratie. Dat wil zeggen dat de politieke partijen zich moeten richten op de belangrijke (bovennationale) thema’s – migratie, milieu, globalisering, terrorisme – en daarbij de belangen van alle bevolkingsgroepen dienen te representeren, ook van die groepen die nu hun heil zoeken bij partijen als de PVV, die het niet zo nauw nemen met de democratie en rechtsstaat.


Badinerende termen

Daartoe is het in de eerste plaats van belang dat ook de belangen van de PVV-kiezers serieus worden genomen. In een representatieve democratie betekent dit dat hier een belangrijke taak is weggelegd voor de elites. Die zullen een open dialoog met de burgers moeten aangaan en hen ook parlementair moeten representeren, teneinde het duistere populisme te verlichten. Van Reybrouck wijst in zijn Pleidooi voor populisme op de overeenkomsten tussen het hedendaagse populisme en de beginjaren van het socialisme, toen ‘arbeiders intellectuele voormannen [kozen] om hun grieven te vertolken, om hun lot te verbeteren en de schrijnende ongelijkheid te bestrijden, net zoals de huidige populistische kiezer niet zoveel zin heeft in laaggeschoolde vertegenwoordigers’.

Daarbij zijn er twee belangrijke obstakels. Het eerste is dat elites tot op heden liever óver populisten spreken – vaak in badinerende termen – dan met hen. Al te vaak gaan zij de discussie met het populistische electoraat uit de weg door ze weg te zetten als ‘racistische, seksistische, homo- en xenofobische deplorabelen’ (Clinton over de aanhangers van Trump), of als de losers van de globalisering die door afgunst en ressentiment worden gedreven. Zelfs wanneer dergelijke oordelen kloppen, mag dat elites er niet van weerhouden de dialoog met populisten aan te gaan. Zonder die wederzijdse bereidheid is het onmogelijk om van het duistere polderpopulisme een verlicht polderend populisme te maken.

Dat vereist dat we bereid zijn om de problemen rondom immigratie en culturele identiteit te agenderen. Daarbij dienen we de diepere oorzaken van de maatschappelijke onvrede aan de orde te stellen en daaruit praktische consequenties te trekken. Populisme is immers, zoals Cas Mudde in ‘The problem with populism’ (The Guardian, 17 februari 2015) opmerkt, een ‘niet-liberaal-democratische reactie op een ondemocratisch liberalisme’.


Verlicht links populisme

Dat brengt me op het tweede obstakel: het neoliberale marktfundamentalisme. Neoliberaal kapitalisme en liberale democratie lijken alleen succesvol te kunnen samengaan als de democratie afstand doet van haar vermogen om politiek te interveniëren in het vrije spel van marktkrachten. Het ‘democratisch tekort’ is vooral een gebrek aan alternatieven voor de neoliberale marktideologie. Dat vereist een herpolitisering van de politiek – en hier hebben pleitbezorgers van een verlicht links populisme als Cas Mudde, Chantal Mouffe en – in ons land – Willem Schinkel een punt. Of zoals de Duitse socioloog Wolfgang Streeck in Gekochte tijd. De uitgestelde crisis van het democratisch kapitalisme (2013) opmerkt: we kunnen niet spreken over de toekomst van democratie zonder te spreken over het kapitalisme. Democratische theorie kan niet zonder politieke economie.

Het “democratisch tekort” is vooral een gebrek aan alternatieven voor de neoliberale marktideologie.

Linkse partijen zouden niet alleen stelling moeten nemen tegen het neoliberale marktfundamentalisme en een heldere visie op mogelijke alternatieven moeten ontwikkelen, maar ook hun politieke strategie af moeten stemmen op herpolitisering. Bijvoorbeeld door het sluiten van een stembusakkoord met gelijkgestemde partijen, zodat de kiezers niet voor de onaangename verrassing komen te staan dat de partij van hun keuze in een ongewenste coalitie belandt. Wie in de campagne voor de Tweede-Kamerverkiezingen het ongemakkelijke krakeel tussen de linkse partijen gadeslaat, moet vrezen dat er voorlopig nog geen einde komt aan het duistere populisme van Wilders en het grijze salonpopulisme van Rutte.

Dit essay is een bewerking van een deel van de inleiding van Jos de Muls boek Paniek in de Polder. Polytiek in populistische tijden. Rotterdam: Lemniscaat, 2017.

Nieuws

Deze website wordt momenteel vernieuwd

Boeken van Jos de Mul

In voorbereiding

Doorzoek deze website

Contactinformatie