The biotechnological sublime. From nature to technology and back
Jos de Mul. The biotechnological sublime. From nature to technology and back. IAS. The Institute Letter. Spring 2013, 17.
The (bio)technological sublime: from nature to technology and back
Many things are awesome, but none more awesome than man.
Sophocles
Every once in a while we experience something extraordinary. Such ‘awesome’ experiences might happen in our research, when we unexpectedly discover something really amazing, or when we come across a magnificent landscape, hear a piece of music that really moves us, or when we fall deeply in love. Traditionally these kinds of extraordinary experiences are called “sublime”. In the following I will present some reflections on one particular kind of sublimity: the technological sublime.
Destiny Domesticated, or Five Not-So-Easy Ways to Tame Fate
Jos de Mul. Destiny Domesticated, or Five Not-So-Easy Ways to Tame Fate, in Frank van der Stok (ed.). Daan Paans: Letters of Utopia. Breda: The Eriskay Connection, 2013 (forthcoming).
Fate. Sooner or later it knocks at everyone’s door. In many different ways. It can enter our lives gradually in the guise of an incurable disease or spring on us suddenly in the guise of an unexpected oncoming car in our lane. It can befall us from the outside like a devastating tsunami, or loom up from within like an all-consuming jealousy. Fate can happen unintentionally, or be done to us – or another person – on purpose. It comes in the horrible guise of war and the intoxicating appeal of an addiction. It is painful when it happens to us, and often even more painful when it befalls someone we love. Without wanting it our frail happiness is continuously interrupted by fatal events. And even when we are lucky enough to avoid grand catastrophes in our lives, in the end we inevitably lose our loved ones and we, ourselves die. While fate inescapably befalls us we find it hard to bear that thought. It is a burden that we cannot carry, but that we also cannot shed.
Internationales Jahrbuch für Philosophische Anthropologie. Band 3 / International Yearbook for Philosophical Anthropology. Volume 3
Bruno Accarino, Jos de Mul and Hans-Peter Krüger (eds.). Internationales Jahrbuch für Philosophische Anthropologie. Band 3 / International Yearbook for Philosophical Anthropology. Volume 2. R. Becker, J. Fischer & M. Schloßberger, (eds). Dezentrierungen. Zu Konfrontation von Philosophischer Antrhropologie, Strukturalismus und Poststrukturalismus. Berlin: Akademie Verlag, 2012, 364 p.
Die Philosophische Anthropologie ist in der Forschung bislang vor allem zum Existenzialismus und zur Kritischen Theorie in Beziehung gesetzt worden. Das erstaunt wenig, wenn man die Wirkungsmacht dieser beiden Pradigmen bedenkt.
Ertragreicher ist jedoch der bisher vernachlässigte Vergleich mit Strukturalismus und Poststrukturalismus, da hier der Anteil an gemeinsamen Problemen und Fragestellungen größer ist, was jede Diskussion von vornherein interessanter macht: Berührt sich die Philosophische Anthtropologie mit dem Strukturalismus nicht insofern in einer Abkehr vom Historismus, als beide Traditionen nach der Rolle durchlaufender Strukturen fragen, die den Zugang zu den Phänomenen regulieren? Und trifft sie sich nicht zugleich mit der vom Poststrukturalismus artikulierten Kritik an der Verabsolutierung dieser Regelsysteme, wenn sie auf der Geschichtlichkeit und Lebendigkeit der Praktiken besteht, in denen die Subjekte ihre Identität erst ausbilden, aber auch aufs Spiel setzen? Die Beiträge des Bandes zeichnen das Streitgespäch zwischen den drei Strömungen nach und diskutieren deren Gemeinsamkeiten.
Keuzedelirium: over de paradox van de keuzevrijheid
Jos de Mul. Keuzedelirium: over de paradox van de keuzevrijheid. In: Wil de burger wel kiezen? Over keuzevrijheid in de gezondheidszorg en de energiemarkt, V. Bekkers et. al, Rotterdam: Center for Public Innovation, 2006, 17-25.
Zo’n twee- à driemaal per week, bij voorkeur rond etenstijd, word ik opgebeld door een persoon die mij mededeelt dat ik naar alle waarschijnlijkheid teveel betaal voor mijn telefoon, internetaansluiting, gas, elektriciteit, hypotheek, pensioenpremie of zorgverzekering. Gelukkig blijkt daar altijd wat aan te doen. Ik hoef slechts gebruik te maken van mijn keuzevrijheid en van aanbieder te veranderen. De eerste jaren waren die telefoontjes mij, op het tijdstip waarop ze plaatsvonden na, niet onwelkom. Zo bleek het dat ik bijvoorbeeld inderdaad fiks kon besparen op mijn telefoonkosten door carrier preselect te gaan bellen.
Inmiddels is de keuzevrijheid met betrekking tot de aanschaf van producten en diensten overweldigend. Maar helaas vaak ook nogal frustrerend. En dat is niet alleen mijn ervaring. Als ik mijn oor te luisteren leg tijdens in mijn omgeving of een willekeurige krant of tijdschrift open sla, dan beluister ik een massaal ongenoegen. Er wordt diep gezucht over de overvloed aan keuzen. Overvloed én onbehagen. De keuzestress neemt toe en mondt langzamerhand uit in een beknellende keuzedwang. Goede raad is niet langer duur, maar vind maar eens de tijd om hem tussen de overvloed van slechte raad te vinden.
Opvoeding en omgeving kunnen net als eigenschappen erfelijk zijn
Frank Grosveld en Jos de Mul. Opvoeding en omgeving kunnen net als eigenschappen erfelijk zijn. De Volkskrant. Het Vervolg, zaterdag 3 april 2010, 10.
Het Darwinjaar zit erop; de hoogste tijd om weer eens te kijken naar andere opvattingen over de evolutietheorie.
In het afgelopen jaar is de tweehonderdste verjaardag van Darwin en de honderdvijftigste verjaardag van diens boek On the Origin of Species gevierd met een stortvloed aan publicaties, lezingen, tentoonstellingen en televisieprogramma’s. Gezien de centrale plaats die Darwins evolutietheorie inneemt in de levenswetenschappen en de groeiende invloed ervan op de sociale en geesteswetenschappen is dat niet verwonderlijk. De filosoof Daniel Dennett noemt het idee van de natuurlijke selectie in zijn boek Darwin’s Dangerous Idea (1995) zelfs ‘het beste idee dat iemand ooit heeft gehad’. Tegen die achtergrond is het ironisch dat recent onderzoek noopt tot een herziening van het centrale dogma van het neodarwinisme, namelijk dat uitsluitend in het DNA vastgelegde eigenschappen kunnen worden overgeërfd. Dit noodzaakt tot een fundamentele herwaardering van de door (neo)darwinisten afgewezen opvatting van Darwins oudere tijdgenoot Lamarck dat tijdens het leven verworven eigenschappen op termijn kunnen worden overgeërfd. Zo’n herwaardering heeft belangrijke implicaties, bijvoorbeeld voor het zogenaamde nature-nurture debat.
Digitale mens zoekt aura in dataïsme
Jos de Mul. Digitale mens zoekt aura in dataïsme, De Volkskrant, Het Betoog, 17 mei 2008, 5.
Er is waarschijnlijk geen andere tekst die in studies over nieuwe media zo vaak wordt aangehaald als Walter Benjamins Het kunstwerk in het tijdvak van de technische reproduceerbaarheid uit 1936. Onlangs nog citeerde Abram de Swaan hem in zijn brochure Het signaal is ruis geworden (Bert Bakker).
Dat is niet zo verwonderlijk, aangezien in deze korte tekst de briljante ideeën over elkaar heen buitelen. Benjamins essay gaat niet alleen over kunst, zoals de titel suggereert, maar ook over religie, economie en politiek. Het verbindende thema is de transformatie die de menselijke ervaring in deze domeinen ondergaat onder invloed van fotografie en film.
Benjamins visionaire denkbeelden kunnen ons helpen de niet minder fundamentele veranderingen te doorgronden die onze ervaring in ‘het tijdvak van de digitale recombineerbaarheid’ ondergaat. Daarbij kunnen we echter niet volstaan met het klakkeloos toepassen van Benjamins analyse, maar moeten we zijn ideeën verder ontwikkelen in het licht van het voor de nieuwe media kenmerkende concept van de database.
Sociale media, China’s nieuwe front
Jos de Mul, Sociale media, China’s nieuwe front. Trouw, 24 november 2012, Letter en Geest, 16-19.
ESSAY Oppositie was makkelijker te onderdrukken toen er nog geen internet of mobieltjes waren. Maar in China zijn critici van de overheid niet de enigen die de nieuwe media gebruiken. Ook de staat komt op ideeën.
De nachtelijke autorit van Zhengzhou Airport naar Kaifeng voert langs een eindeloze serie bouwprojecten. Zover het oog reikt tekenen de fel verlichte torenflats in aanbouw zich af tegen de donkere hemel. Hier wordt dag en nacht gewerkt. Zhengzhou, de aan de Gele Rivier gelegen hoofdstad van de provincie Henan, is niet alleen de bakermat van de Chinese cultuur, maar tevens één van China's dertien nieuwe megalopoleis. Naar verwachting zal het inwonertal de komende acht jaar van drie naar twaalf miljoen groeien.
Gastheer Li Yong informeert tijdens de rit of ik moe ben. Door een defect aan de pilotenstoel van de aftandse Boeing 767 heeft de reis van New York via Amsterdam naar Zhengzhou 82 uur geduurd en heb ik de eerste dag van de conferentie aan de universiteit van Henan over literatuur en nieuwe media, mijn eigen openingslezing incluis, gemist. Ik heb betere dagen gekend. Maar moe zijn is niet echt een optie in het bedrijvige China.
Sinds Deng 'Shopping' in de jaren tachtig de economische liberalisering inzette, schieten industriële centra, nieuwe stadswijken en luxueuze winkelcentra als paddestoelen uit de grond en shopt een snel groeiende middenklasse een postmoderne lifestyle bij elkaar.
Ook op cultureel gebied lijkt er sprake van wat de Chinese leiders aan de vooravond van het 18de nationale congres van de Communistische Partij trots aanduidden als 'de Grote Chinese Renaissance'. De Chinese kunstwereld getuigt inderdaad van een indrukwekkende vitaliteit. Waar de avantgardes van de jaren tachtig en negentig, zoals Political Pop en Cynisch Realisme, zich vooral richtten op Westerse verzamelaars en musea, is inmiddels een bloeiende, nationale kunstmarkt ontstaan. Toen ik begin september op uitnodiging van schilder Lu Yushung de opening van de overzichtstentoonstelling van zijn werk in het Nationaal Kunstmuseum van China (NAMOC) in Peking bezocht, bleek dat een enorm mediaspektakel te zijn, waar celebrities, nouveaux riches en cameraploegen over elkaar heen buitelden. Na de opening werden de gasten naar het monumentale Beijing Hotel gevoerd, waar een flitsende modeshow aan ons voorbij trok. De extravagante, op de schilderijen van Lu geïnspireerde kleding die op de catwalk aan ons voorbijtrok, was ontworpen door de zuster van de schilder. Welkom in de wereld van 'het communisme met Chinese karaktertrekken'.
约斯·德·穆尔 著《阐释学视界——全球化世界的文化间性阐释学》麦永雄 方頠玮 译 《外国美学》第20辑 (Hermeneutic perspective: Intercultural hermeneutics in a globalized world)
约斯·德·穆尔 著《阐释学视界——全球化世界的文化间性阐释学》麦永雄 方頠玮 译 《外国美学》第20辑 [Jos de Mul, Hermeneutic perspective: Intercultural hermeneutics in a globalized world. International Aesthetics, no. 20 (2012), 312-336]
阐释学视
界——全球化世界的文化间性阐释学[1]
约斯·德·穆尔 著 麦永雄 方頠玮 译
摘要:本文从 “经验视界”的常用隐喻出发,探讨文化间性阐释学(intercultural hermeneutics)的三种不同类型,它分别把阐释学的诠释构想成视界拓展,视界融合和视界播撒。可以认为,阐释学史上这些赓续的阶段分别源于——但并非是严格地限于——全球化的前现代、现代和后现代阶段。以中西语言和哲学相遇合的一些令人瞩目的契机为例,对文化间性阐释学这三种类型的优长和不足展开讨论。要论辩的是,尽管从理论的视野来看,这三种阐释学类型是互相排斥的,但是作为当代阐释的存在方式,我们有赖于这三种不同的阐释学实践,并且无法避免地与它们共生。
关键词:文化间性阐释学;全球化;阐释学视界;汉语;前现代主义;现代主义;后现代主义;狄尔泰;海德格尔;伽达默尔;德里达;柏拉图;孔子;徐冰
Ma, mateloosheid, metafoor, methode, monomanie
Jos de Mul, Ma, mateloosheid, metafoor, methode, monomanie. In R. de Brabander, P. Molendijk, T. Rahimy, S. van Tuinen (red.). Voorstellen tot werkelijkheid. Het denken en doen van Henk Oosterling. Rotterdam: Trichis, 2012.
Als in een spiritualitijd van hier en nu de schijn heilig wordt verklaard, dan in ieder geval inzoverre afstand wordt genomen van een schijnheiligheid die het Andere slechts tolereert, omdat dit niets bedreigt. En als dit leven in de heiligheid van de schijn een affirmatie is van de kunst-matige kwaliteit van een bestaan aan de grenzen van de waarheid, dus daar waar de waarde van de waarheden wordt beproefd, dan opent die niet-plaats zich als een afgrond die het nu en later, het hier en dat wat zich aan gene zijde ervan uitstrekt met elkaar verbindt. Het is in deze nimmer af te sluiten ruimte, dat de val van de metafysica plaats vindt en de tuimeling, die leven heet, een weg moet vinden.
(Oosterling, Door schijn bewogen, 650)
Collaboratie of zelfdestructie is geen keuze. Ze komen samen in wat ik een hypokritiek noem: een kritiek die zichzelf ondermijnt in het besef dat ze even noodzakelijk als onmogelijk is. (Oosterling, Radicale middelmatigheid, 13)
Beroerde inleiding
Kan dat, schrijven over - het denken, het leven van- Henk Oosterling? Is het mogelijk een dialoog aan te gaan met Henks kunst-matige teksten? Is het gepast in een feestbundel de middelmatigheid ervan te bevragen? Kan men Henk überhaupt kritiseren? Hoewel dat bij een gesprek met Henk altijd een reële mogelijkheid blijft, doel ik hier niet in de eerste plaats op het fysieke gevaar dat iemand loopt wanneer hij Henk tegenspreekt (zeker voor differentiedenker laat Henk de ander - met de kleine letter a – in een gesprek opvallend weinig ruimte), maar veeleer op de ‘afgrondelijke’ methodologische problemen waarvoor een dergelijke onderneming de criticus stelt.eLife. From biology to technology and back again
Jos de Mul, eLife. From biology to technology and back again, in P. Bruno and S.Campbell (Eds.), The Science, Politics and Ontology of Life-Philosophy. London: Continuum, forthcoming.
One of the most striking developments in the history of the sciences over the past fifty years has been the gradual moving towards each other of biology and computer science and their increasing tendency to overlap. Two things may be held responsible for that. The first is the tempestuous development of molecular biology which followed the first adequate description, in 1953, of the structure of the double helix of the DNA, the carrier of hereditary information. Biologists therefore became increasingly interested in computer science, the science which focuses, among other things, on the question what information really is and how it is encoded and transferred. No less important was that it would have been impossible to sequence and decipher the human genome without the use of ever stronger computers. This resulted in a fundamental digitalization of biology. This phenomenon is particularly visible in molecular biology, where DNA-research increasingly moves from the analogical world of biology to the digital world of the computer.[1]
In their turn, computer scientists have become increasingly interested in biology. One of the highly promising branches of computer science which has developed since the 1950s was the research into artificial intelligence and artificial life. Although the expectations were high – it was predicted that within some decades computers and robots would exist whose intelligence would exceed by far that of man – success remained limited to some specific areas, in spite of the spectacular development of information technologies in the past decades. It is true that, more than fifty years later, we have computers which can defeat the chess world champion, but in many areas toddlers and beetles still perform better than the most advanced computers. Top down programming of artificial intelligence and artificial life turned out to be much less simple than expected. This not only resulted in the fact that computer scientists started to study in depth the fundamental biological question what life basically is, but it also inspired them to use a bottom up approach, which consists of having computers and robots develop ‘themselves’ in accordance with biological principles.